Flat tussen spoor, weg en kade; Wonen en leren achter een zee van vlammen

Gebouw: De Struyck. Ontwerper: Carel Weeber van de Architekten Cie. Opdrachtgever: Christelijke Woningbouwvereniging Patrimonium. Ontwerp: 1993-1996. Bouwkosten: 20 miljoen.

De omgeving van het Haagse station Hollands Spoor is snel aan het veranderen. De overkapping van het station zelf is na de brand herbouwd, Atelier Pro heeft de nieuwe hogeschool ontworpen en het ronde wooncomplex van Jo Coenen is klaar. Over twee weken wordt het opzichtigste gebouw van allemaal in gebruik genomen: De Struyck, huisvesting voor 380 Haagse studenten, naar het ontwerp van Carel Weeber van de Architekten Cie en beeldend kunstenaar Peter Struycken.

De Struyck - inderdaad genoemd naar de kunstenaar - valt al uit de verte op door de grote, abstracte patronen op de gevels. Over de volle hoogte van negentien verdiepingen heeft Struycken met behulp van de computer in witte, zwarte en groene tegels enorme vegen aangebracht. Hagenaars die weten dat hier vroeger een brandweerkazerne stond, zien er vlammen in. De patronen houden niet op de bij de hoeken, maar lopen door - inderdaad als likkende vlammen - over alle vier de gevels. Het palet van tien uitgesproken pastelkleuren die zijn gebruikt in de gangen en de dubbelhoge loggia's op de hoeken, is ook een ontwerp van Struycken. Het gebouw heeft aan beide kanten een ingang; om die tweedeling te benadrukken veranderen de gangen halverwege van kleur.

De tegels zijn gevat in rood beton, de raamkozijnen zijn rood en de jaloezieën waarmee de kamers standaard zijn uitgerust ook. Het effect is dat er een rode waas over het gebouw heen lijkt te hangen. Weeber vertelt dat hij met een kantoorgenoot naar India was geweest en, geïnspireerd door het Rode Fort van Delhi, besloot dat zijn volgende gebouw, wat het ook zou worden, datzelfde intense zandstenenrood moest krijgen.

De plattegrond van het gebouw is zo gewoon als maar zijn kan: gangen met aan weerszijden kamers van 3,60 bij 10 meter. De kamers hebben ieder eigen wc, douche, keukentje en 'suskasten' om het lawaai te dempen van de spoorlijn aan de ene kant en de drukke straat aan de andere. Een hele vooruitgang vergeleken bij de studentenhuizen van twintig jaar geleden, met gezamenlijke, meestal smerige keukens aan het einde van de gangen. De hoge loggia's, die als gemeenschappelijke woonkamers en feestzalen te gebruiken zijn, worden 's avonds verlicht en zullen als gestapelde blokken kleur in onder andere abrikoos, turquoise en lila-blauw in de lucht zweven. Net Chinese lampionnen, volgens de architect, die zegt dat zijn gebouw 'op de nacht' is gemaakt. Hij wil ook bewerkstelligen dat er op de twee grote liftkokers op het dak, bewegende lichtreclames komen.

Het gebouw is behalve verrassend door zijn kleuren, ook intrigerend door de twee structuren die over elkaar heen zijn gelegd. Er is het strakke, repeterende ritme van de rechthoekige tegels en de lange rijen ramen, met daar overheen de vrije, expressieve beweging van de gekleurde patronen. Op zonnige dagen komt daar nog iets bij: door de ronde gaten van de breed uitkragende daklijst vallen de zonnestralen als ronde zoeklichten op de gevels.

Dat verenigen van contrasten zit ook in de opzet van het gebouw, dat uit twee verschillende delen bestaat. De bovenbouw is een rechte doos, al blijkt van dichtbij dat de ene gevel een beetje bol loopt en de andere hoek een beetje naar buiten krult - net genoeg om de massa iets beweeglijks te geven.

Deze functionele, min of meer modernistische doos staat echter op een postmoderne, neo-classicistische sokkel. Deze ovale onderbouw, waarin een supermarkt, een restaurantje en een slijterij moeten komen, doet met zijn roodbetonnen zuilen, kapitelen en decoratieve motieven sterk denken aan het werk van de Spanjaard Ricardo Bofill. Het decor-achtige van deze onderbouw wordt nog versterkt door de voegen in het beton die dwars door de decoratie heen lopen, een frivoliteit die in de ernstige Nederlandse architectuur gelijk staat aan vloeken in de kerk.

Tot driemaal toe heeft de Haagse Welstandscommissie onder leiding van wijlen de architect Theo Bosch dit ontwerp afgewezen. Bij wijze van uitzondering heeft wethouder Noordanus het daarom aan de gemeenteraad voorgelegd, waar zowel Bosch als Weeber/Struycken hun standpunten mochten toelichten. De raadscommissie wees het ontwerp van Struycken af als zijnde te wild, maar zonder Struycken, met wie hij al sinds 1968 werkt, wilde Weeber de opdracht niet aanvaarden. Struycken maakte een wat ingetogener tegelpatroon en de wethouder gaf zijn persoonlijke fiat aan het plan. Al te veel opdringerige blikvangers van deze hoogte en dit kaliber moet een stad niet hebben, maar nu die 'vlammen' negentien verdiepingen hoog uitslaan blijken ze een aanwinst voor de stad. Bovendien is het verheugend om te zien hoe er in de samenspraak tussen kunstenaar en architect iets ontstaat wat meer is dan de som der delen, iets wat het negentiende-eeuwse ideaal van een Gesamtkunstwerk benadert. De architect is er bovendien in geslaagd om een moeilijke plek, gevangen tussen spoor, weg en kade, weer in de stad op te nemen. Wat jammer is het dan om te moeten constateren, dat Weeber het toch nog nodig vond om zijn reputatie van stokebrand en enfant terrible waar te maken door zijn reus zulke melige, postmoderne lemen voeten te geven.