Europa moet optreden tegen terreur

De Europese Unie is boos over de Amerikaanse anti-terreurwet. Jim Hoagland vindt dat de Europese landen maar eens moeten laten zien dat dat zij het terrorisme werkelijk willen bestrijden.

Frankrijk maakt zich, niet minder dan de Verenigde Staten, zorgen over het terrorisme en de gruwelen die het aanricht. Maar wie uit Washington bijvoorbeeld in Parijs aankomt, stapt een andere, meer ontspannen wereld binnen, waar men met de wreedheid en boosaardigheid van de mens probeert te leren leven, in plaats van er eens en voor altijd mee te willen afrekenen.

De Amerikaanse aanpak, zoals die tot uiting komt in de galmende verklaring van president Clinton toen hij vorige week de wet ondertekende die nieuwe economische sancties oplegt aan Iran en Libië, doet de Europeanen naïef en idealistisch aan. Waarschijnlijk hebben zij gelijk met hun voorspelling dat deze nieuwe Amerikaanse maatregelen, die zijn opgesteld om Europa en Japan te straffen, aan het optreden van Teheran en Tripoli niets zullen veranderen.

Maar die verwaten reactie van Europa maakt mede duidelijk waarom president Clinton ten slotte zijn eigen twijfels wel ter zijde moest schuiven en een maatregel moest goedkeuren die als wet niet deugt, de diplomatie in de wielen rijdt en de zakelijke vooruitzichten van het Amerikaanse bedrijfsleven schaadt. Europa en Japan moeten er een dringende oproep in horen om samen met de Verenigde Staten doeltreffender maatregelen te nemen tegen door staten gesteund terrorisme.

Op hetzelfde moment dat Frankrijk in de Europese Unie het voortouw nam in de veroordeling van de Verenigde Staten omdat zij terrorisme met sancties bestrijden, rouwde de Franse natie om de slachtoffers van een terroristische bomaanslag in Algerije die rechtstreeks gericht leek tegen het Franse beleid in Noord-Afrika.

Pierre Claverie, de in Frankrijk geboren bisschop van Oran, is op 1 augustus samen met zijn chauffeur door een terroristenbom gedood, slechts enkele uren nadat hij in Algiers had gesproken met de Franse minister van Buitenlandse Zaken Hervé de Charette. De explosie geldt als het werk van de fanatieke moslims die in vier jaren van bloedig oproer tegen de militaire overheid nog achttien andere katholieke geestelijken, tientallen buitenlanders en tienduizenden Algerijnen hebben gedood.

Claverie, die 58 jaar was, had kort nadat Algerije in 1962 onafhankelijk was geworden van Frankrijk, de Algerijnse nationaliteit aangenomen. Hij werd bij zijn begrafenis geprezen om zijn toewijding aan de paar honderd resterende katholieken in Algerije, aan de Algerijnse natie en aan de geest van verdraagzaamheid waarnaar hij altijd had geleefd.

De fundamentalistische terreurcampagne in Algerije is niet alleen gericht tegen de - overigens maar bescheiden en aarzelende - Franse steun aan de regering, maar ook tegen de laatste sporen van de Franse cultuur en het koloniale bewind. De Franse overheid heeft deze treurige realiteit onderstreept met een oproep aan alle Fransen om Algerije onmiddellijk te verlaten.

Toch valt in de reacties van de Franse overheid en media op de moord op Claverie eerder berusting te beluisteren dan een 'Te wapen!' In tegenstelling tot de Amerikanen, die dure eden zweren dat de natie niet zal zwichten voor terrorisme, concentreren de Fransen zich op praktische veiligheidsmaatregelen om het gewone leven te laten doorgaan.

Op de dag dat Claverie begraven werd, haalden vertegenwoordigers van de Franse overheid fel uit naar Clintons besluit om de door de republikeinse senator Alfonse d'Amato (New York) en anderen ingediende wet te ondertekenen die de president verplicht bepaalde Amerikaanse handelsprivileges te ontzeggen aan buitenlandse ondernemingen of personen die ten minste 40 miljoen dollar per jaar investeren in aardgas- en aardolieprojecten in Iran of Libië.

De Europese Unie heeft aangekondigd deze poging tot exterritoriaal optreden van de Amerikaanse regering te zullen afstraffen met vergeldingsacties tegen Amerikaanse firma's. Een sanctieoorlog zou aan weerszijden van de Atlantische Oceaan economische schade aanrichten.

De wet-d'Amato mag dan evidente gebreken hebben, het is een goed staaltje machtspolitiek. Hij stelt een door de Europeanen gekoesterd waandenkbeeld aan de kaak dat doeltreffend gezamenlijk optreden tegen het terrorisme in de weg staat. Nu is er een sterke prikkel voor de Europeanen om met maatregelen te komen die effectiever zijn dan de d'Amato-wet, die dan kan worden ingetrokken.

Dat waandenkbeeld is dat de Europeanen de landen en de politieke bewegingen van de Derde Wereld beter zouden begrijpen dan de Amerikanen, en dat het bepraten en overreden van misdadige regimes om zich verantwoordelijk te gedragen dus aan de Europeanen zou moeten worden overgelaten. Dat is het centrale denkbeeld achter Duitslands 'kritische dialoog' met Iran, en achter Frankrijks pogingen om bijzondere betrekkingen aan te knopen met Libië, Iran en uiteindelijk ook Irak.

Vele Europeanen menen dat wie met die landen zaken wil doen, de schandalige taal die hun leiders uitslaan en de incidentele terreurdaden tegen westerlingen waarvoor zij verantwoordelijk kunnen worden gesteld, op de koop toe moet nemen, in de hoop dat zij op de lange duur hun beleid zullen matigen.

Het begrijpen van deze landen is echter het probleem niet, want zij hangen hun voornemens tot moord en brand aan de grote klok. Van Hitler tot Saddam en Gaddafi is men steeds geneigd geweest de glasheldere bedoelingen van de moordenaars goed te praten of te bagatelliseren, teneinde confrontaties te vermijden.

De Duitsers en anderen houden de Amerikanen voor dat zij geduld moeten oefenen en Irans dreigende oproep tot dood aan de Grote Satan niet serieus moeten nemen. Maar wij moeten deze dreigementen nemen voor wat ze zijn - dodelijke en bittere ernst.

De Verenigde Staten moeten bereid zijn om deze nieuwe, gebrekkige handelssancties tegen Iran en Libië te veranderen of af te schaffen, maar op dit moment is de beurt aan de Europeanen, die moeten aantonen dat zij niet langer bereid zijn schurkachtige regimes ongestraft te laten moorden.