Een droomkoffer

Nee, picknicken doe ik niet. Zitten op een bodem die daar niet geschikt voor is; eten van een bordje dat veel te ver weg staat, zand en grasjes in je bord en mieren in je glas; lauw geworden salades, verkleurde zalm, gesmolten boter op verklefte broodjes, geklutste wijn, handwarme melk. En alles rolt om. Mij niet gezien. Ik zoek wel een terras onder de bomen, met een tafel, een stoel, een ober en een koelkast.

Maar zo'n picknickmand, die wil ik wel. Om nooit te gebruiken, om maar heel zelden naar te kijken. Alleen om te weten dat hij er is en dat hij van mij is.

Uit hebzucht, verder nergens om.

Of mand, nee, een goede picknickmand is eigenlijk een koffertje, een koffertje van rotan of riet. Het is van binnen bekleed met zachte stof, zijde of teer katoen. Die stof, hij is lichtgeel of zachtzalm, met misschien een blauw stipje hier en daar, bolt een beetje op en vormt een nest voor de spulletjes.

De deksel is de couchette van de picknickmand. Vier borden hangen er op een platte stapel te slapen achter een leren riempje met links en rechts en erboven, ook achter gespjes, het bestek. Aan alles is gedacht: messen en vorken, fruitmesjes en cake-vorkjes en lepels in drie formaten - voor koffie, dessert, en twee grotere, om op te scheppen. Soeplepels hoeven niet, soep is onzin bij een picknick.

Middenin de koffer zelf, ook gekoesterd door de bolle stof, beschermd door riempjes en in bijpassende tint, waakt het pièce de résistence: de thermoskan. De mooiste die ik ooit zag had de vorm van een theepot waar de Wonderlandse Mad Hatter zich niet voor zou schamen. Zo'n Engelse Brown Betty, met een brutaal bolle buik en een fraai gebogen, zware tuit. De tuit zat dicht met een schroefdopje want de pot was, met al zijn deftige drukte, toch een thermoskan. Om de kan heen zitten vier kopjes gedrapeerd. Kopjes dus, met schoteltjes, die apart op een stapel wachten tot ze van dienst kunnen zijn. Géén mokken, bewaar me: een echte picknickmand betekent meer dan buiten iets eten. Wie uit is op praktisch die begrijpt niets van de mand.

In de hoeken van de koffer verblijven, als bescheiden dames, de glazen, rond en hoog. Elk strekt een slank been, dat plaats maakt voor een schaal. En ergens, in twee onverwacht uitgespaarde hoekjes van de mand, verblijven de kleine botervloot en het suikerpotje, beide met een hoedje van metaal.

Ze zijn duur, zulke manden. Niets is van plastic, een glas is van glas, een mes van glanzend metaal, borden en een kopjes zijn van fijn aardewerk. Duur en nergens goed voor, ook niet om mee te picknicken - te zwaar, te onhandelbaar. Pure weelde.

Bestond Sinterklaas maar.