Derry: geen oorlog, maar geen overgave

LONDONDERRY, 12 AUG. De binnenstad van Londonderry was zaterdag van de protestanten. Gepantserde voertuigen en agenten hadden het centrale plein omsingeld. Daarachter marcheerden de protestantse Oranjemannen. Vijftienduizend leken, besproete Ierse gezichten in grijze, roodharige en donkere hoofden. Boeren, kantoorklerken, kinderen, schoolmeesters - iedereen loopt mee en kijkt strak voor zich uit.

In zijn rood-wit-blauwe uniform of in zijn zwarte pak met bolhoed. Op militaire deuntjes van de fluit en de oorlogstrom leggen zij trots de lange route af. Vanaf de stoep kijken tientallen journalisten en politieke waarnemers en duizenden protestanten toe.

De optocht van de protestantse Apprentice Boys door de Noord-Ierse stad Londonderry heeft zaterdag niet geleid tot geweld. De verwachte confrontatie tussen protestanten, die willen dat Noord-Ierland bij Groot-Brittannië blijft, en katholieken die een verenigd Ierland nastreven, bleef uit. Beide partijen deden concessies. Zowel katholieke Republikeinse politici als de protestantse leiders van de Apprentice Boys (leerjongens) toonden zich na afloop opgelucht. “Dit weekeinde bewijst dat dialoog de enige oplossing is voor de spanningen”, zeiden zij. Alle partijen verklaarden dat er een oplossing moet komen voor de beladen Noordierse 'marcheermaanden' juli en augustus. Om dat traditionele marcheerseizoen is het de meest fanatieke protestanten te doen. Alles hebben zij voor traditie over. Deze week zetten zij bijna het Noord-Ierse vredesproces op het spel omdat zij acceptatie van hun traditionele optochten eisen.

“No surrender”, riep de leider A. Simpson zaterdagmiddag. Daarmee echoode hij de kreet van de dertien leerjongens, die 307 jaar geleden de stadspoorten van Derry sloten voor het leger van de katholieke koning Jacob II. Zijn dubbele boodschap aan de katholieken: de Apprentice Boys zouden zich houden aan het verbod op een mars over de stadswal, die uitkijkt over de katholieke wijk Bogside, maar zij zouden terugkomen. “Op een tijdstip dat òns zint.” Na de optocht putte hij zich uit, zoals alle politici overigens, in lof voor de moed en het inhoudingsvermogen van de tegenstander.

“We moeten onze traditie beschermen tegen de katholieken en hun wens van een verenigd Ierland”, zegt een toeschouwer met een rood-wit-blauwe opblaashelm op zijn hoofd. Protestanten weten zeker, zegt hij, dat zij in een Ierse republiek hun geschiedenis moeten inleveren. Achter hem dromt zijn geschiedenis door de straat: de banieren met het verhaal van hun Chapter (een soort loge), de wijsjes die al eeuwen hetzelfde klinken en de uniformen. “We zijn bang voor armoede”, zegt een oudere vrouw. Niet alleen omdat zij in een verenigd Ierland de minderheid zullen vormen (nu bestaat Noord-Ierland voor tweederde uit protestanten), maar omdat de huidige Ierse republiek armer is dan Groot-Brittannië. Aan de symboliek van hun Brits-gezinde voorvaderen houden de protestanten daarom krampachtig vast.

Achter de stadswal met de blokkades en het prikkeldraad, staan honderden bewoners van de katholieke wijk Bogside. Zij kunnen de optocht niet zien, dat heeft de Britse minister van Noord-Ierse zaken, Patrick Mayhew, voorkomen. Maar zij kunnen de fluiten en de dreun van de trommels horen. De sfeer is minder gespannen dan op voorgaande dagen, want zij hebben net gehoord dat de Apprentice Boys het verbod op de stadswal hebben aanvaard. Sinn Fein-politici en leiders van de Bogside besluiten hun tegendemonstratie af te gelasten.

J. Tierney, raadslid van de nationalistische sociaal-democratische partij SDLP, is opgelucht: “Zou het tot iedereen zijn doorgedrongen dat dialoog beter is dan confrontatie?”

Jongeren zitten op het gras , ouderen rusten op muurtjes voor de kleine Bogside-woningen. Als er glasgerinkel klinkt aan de andere kant van de stadswal, springen de jongens op. Zouden de protestanten dan toch confrontatie zoeken? Maar al snel begint iedereen te lachen: “De eikels vechten met elkaar!” De politie is in gevecht met een groep dronken protestantse jongens. De politie wordt door de katholieken beschouwd als beschermer van de Unionisten.