Vrijheid

CHRISTOPHER HILL: Liberty against the Law, some seventeenth-century controversies

354 blz., Allen Lane 1996, ƒ 73,50

Bij het schrijven van zijn nieuwe boek zegt Christopher Hill ontdekt te hebben dat veel zeventiende- en achttiende eeuwse Engelsen zich tekortgedaan achtten door hun samenleving. Van de vrijheid waar het land zich op liet voorstaan ('Britons never shall be slaves') profiteerde alleen een bezittende minderheid, die door de wetgeving in haar voorrechten beschermd werd. Iedere lezer die wel eens van deze historicus gehoord heeft weet dat hij als geen ander het politieke debat van de zeventiende eeuw kent, en de stemming en de motieven van Cromwells revolutie. Niettemin zou hij pas sinds kort weten dat niet alle Engelsen ingenomen waren met hun vrije leven! Het is onmogelijk om die uitspraak van hem ernstig te nemen, maar hij is nooit een auteur geweest die al de oneffenheden van zijn tekst wegvijlde. Zijn kracht ligt minder in de kunst om zijn gegevens in een geloofwaardig evenwicht te brengen dan in zijn vermogen om de onrust en onenigheid van onze voorouders in telkens nieuw materiaal aan het licht te brengen.

'Enclosure' is het sleutelbegrip in het nieuwe boek: de geleidelijke privatisering van het Engelse landbouwgebied die in de vijftiende eeuw begonnen was. Het landgebruik werd er efficiënter van; veel kleinere boeren werden onteigend en moesten zich redden als landarbeider of zwerver. Op zichzelf was het ongenoegen van de onmondige armen niet sterk genoeg om een revolutie teweeg te brengen, maar in 1640 droeg het bij aan het besef van maatschappelijke onrecht. Al staat de Engelse revolutie minder in aanzien in de Europese geschiedenis dan de Franse en de Russische, het was een volwaardige. De verscheidenheid van richtingen in de Putney Debates, het nationale politieke congres van 1647, doet denken aan een Nederlandse Kamer driehonderd jaar later: communisten, socialisten, liberalen, christelijke partijen. Ideeën waren er in overvloed, maar de politieke groeperingen waren niet geduldig en geschoold genoeg om een parlementaire staatsvorm te ontwerpen. In een samenleving waar de gelijkheid heerst, schreef Gerard Winstanley in 1649, zal iedereen de wet kennen en gehoorzamen 'for it shall be writ in every man's heart'. Zo'n totale vernieuwing had hij voor ogen als denker van de Diggers, de proto-communistische groep, in 1649 toen de revolutie nog fris was. Twee jaar later besefte hij dat er op het menselijk hart niet onvoorwaardelijk gerekend kon worden. Het revolutionaire ideaal van de enkelvoudige menselijke gemeenschap was onvervulbaar gebleken. Er zouden wetten geformuleerd moeten worden buiten de harten van mensen; de gemeenschap kon het niet zonder openbare orde en regels stellen.

Toen het revolutionaire optimisme verloren ging begon de republikeinse staat van Cromwell gelijkenis te tonen met het voorafgaande koninkrijk, en in 1660 paste de koning er zelf ook weer goed in. De wereld van vrijheid en gelijkheid was niet verwezenlijkt. Het waren nog altijd de machtigen en rijken die de dienst uitmaakten. Al was de vrijheid in politiek, religie en economie in het Engeland van 1700 ruimer dan in 1600, een groot deel van de bevolking trok er geen profijt van en sprak er satirisch, verbitterd of wanhopig over.

Engeland in de zestiende en zeventiende eeuw was een te complexe samenleving om vrij of onvrij te kunnen worden genoemd. De overgangsvormen tussen de twee uitersten waren zonder tal. Er is een traditie gegroeid vooral bij de Engelsen zelf die het land als de bakermat van de vrijheid voorstelt. Daar keert Hill zich tegen, en in beproefde polemische trant neemt hij aan dat de dwaalleer klakkeloos aanvaard zal zijn door zijn lezers. Winstanley wilde de ethos van de samenleving veranderen, schrijft Christopher Hill, en dat was teveel gevergd van de Diggers; volgende generaties hebben er aan gewerkt en langzamerhand is er iets van verwezenlijkt, maar er blijft een lange weg af te leggen. Zo klinkt hij als hij hoop uitdrukt. Voor het slot van zijn boek geeft hij de voorkeur aan een wrange toon: sommigen zullen het als een teken van vooruitgang zien dat wij de armen niet langer de stad uitjagen.