Veranderingen in het geloof

PETER VAN ROODEN: Religieuze regimes. Over godsdienst en maatschappij in Nederland, 1570-1990

250 blz., Bert Bakker 1996, ƒ 39,90

Bijna oorverdovend is het koor van stemmen uit kerkelijke hoek dat zodra het verminderde kerkbezoek in Nederland van de laatste decennia ter sprake komt, ter verklaring daarvan een beroep doet op het begrip secularisatie. Godsdienst was vroeger heel vanzelfsprekend, maar in iedere moderne maatschappij neemt het belang van godsdienst af als gevolg van elkaar versterkende factoren zoals individualisering, specialisatie, veranderende machtsstructuren en de voortschrijdende wetenschap. Dit proces is zich al eeuwenlang aan het voltrekken, vanaf de Opstand toen ons volkje nog vroom was tot het verwarrende heden aan toe, om wellicht te culmineren in zoiets als een godsdienstloos tijdperk, zo wil het cliché.

In Religieuze regimes heeft de historicus Peter van Rooden een succesvolle poging gedaan deze seculariseringsthese omver te kegelen. Op grond van een groot aantal publikaties en eigen onderzoek maakt de auteur aannemelijk dat het belang van godsdienst in Nederland in de periode 1570-1990 niet zozeer is afgenomen als wel gewijzigd. Hij legt daarbij een verfrissend on-theologische, nuchtere belangstelling aan de dag voor ontwikkelingen die in het debat over godsdienst nogal eens veronachtzaamd worden. Aan bod komen onder meer het rechtstreekse verband tussen de frontlijn van de Tachtigjarige Oorlog en de huidige grenzen van de 'bible belt' van Zeeland naar Oost-Nederland, de grote invloed die uit kan gaan op het geloofsleven door begaafde enkelingen zoals Abraham Kuyper, en het verband tussen de hoogte van het traktement van predikanten in de achttiende en negentiende eeuw en het karakter van de kerk in Nederland.

Hiërarchie

Voor godsdienstige uitweidingen is men bij Van Rooden aan het verkeerde adres. Zijn boek beschrijft de innige verhouding die er in de beschreven periode van de Nederlandse geschiedenis heeft bestaan tussen maatschappij en godsdienst. De kerken hebben voortdurend ingespeeld op de mogelijkheden en onmogelijkheden die de politiek bood, maar andersom is ook de politiek beïnvloed door de mobilisaties van bevolkingsgroepen waartoe godsdienstige bewegingen in Nederland, net als elders overigens, in staat zijn geweest. Godsdienst kan, zo blijkt uit dit uitdagende boek, op basis van de historische feiten niet worden gezien als een verschijnsel dat eenvoudigweg is meegevoerd op de golven van de onbeheersbare moderniteit, want ook de moderniteit heeft zich veel aan de zich ontwikkelende godsdienst gelegen laten liggen.

Het is nog niet erg verrassend om bij Van Rooden te lezen dat in de Republiek aanvankelijk de gereformeerde kerk een monopolie had op de publieke uitoefening van godsdienst. Godsdienst was in de begindagen van de natie een ordenend principe; alle kerken werden toegestaan, er bestond officieel niet zoiets als een staatskerk, maar wel ging de erkenning van andere kerken gepaard met discriminatie. Godsdienst en kerk waren het principe waarop maatschappelijk verschil was gebaseerd, schrijft Van Rooden.

Interessanter wordt het als we lezen over de ontwikkeling van de samenleving als zichtbare orde waarin de gereformeerde kerk op lokaal niveau samen met de politiek een hiërarchie in stand hield, naar een samenleving die de godsdienst in het innerlijk van de ingezetenen lokaliseerde en daarbij veronderstelde dat deze burgers allen behoorden tot een morele gemeenschap, het vaderland genaamd. Deze abrupte wijziging deed zich aan het einde van de achttiende eeuw binnen één generatie voor, en het revolutionaire karakter ervan is volgens Van Rooden kenmerkend voor Nederland.

Het boek beschrijft deze mentale omwenteling aan de hand van onder meer de bededag, een door de Staten-Generaal uitgeschreven jaarlijks ritueel. Bededagen waren bedoeld om in de kerken Gods zegen af te smeken over gebeurtenissen die het hele land aangingen. Aanvankelijk geeft de Republiek in de zogeheten biddagsbrieven een beeld van zichzelf als een politieke en kerkelijke hiërarchische orde die onderdanen bezit, later als een samenleving waarvan welvaart en macht essentieel afhankelijk zijn van het morele gedrag van haar ingezetenen.

Het Nederlandse vaderland beveelt zijn leden niet maar benadert ze op moralistische wijze, schrijft Van Rooden, zijn macht was niet zoals in Frankrijk gebaseerd op bevel dat geen tegenspraak duldt maar op morele invloed en overtuigingskracht.

Bij deze revolutionaire verschuiving van godsdienst naar het innerlijk van de burgers, die volgens Van Rooden moeilijk als een secularisatie kan worden gekenschetst omdat het belang van de godsdienst er niet door verminderde, veranderde ook het predikantschap ingrijpend. Bekleedde een predikant in de begindagen van de Republiek nog een openbaar ambt dat feitelijk voortborduurde op de kerkelijke structuur van vóór de Reformatie, met de introductie van het authentieke eigen geloof van de burgers werd het predikantschap een vak; een predikant werd lid van een beroepsgroep met carrièrekansen, hij bediende in zijn leven meer dan één gemeente waarbij hij namens de gemeenschap geacht werd de gelovigen te onderwijzen en te vormen tot burgers van een morele natie. Vroomheid werd een burgerplicht.

Klassenconflict

Het is deze verinnerlijking van de godsdienst, aldus Van Rooden, die vervolgens in de negentiende eeuw tot een nieuwe revolutionaire wijziging in de verhouding tussen maatschappij en godsdienst heeft kunnen leiden. De verinnerlijking maakte iedere burger in principe tot iemand met gelijke kansen, maar in de praktijk was het een bovenlaag die geschoold was en de macht in handen had. Hierdoor werd de kiem gelegd voor een klassenconflict, op grond waarvan gereformeerde en katholieke voormannen het ware geloof konden lokaliseren in de harten van het gewone volk dat door de elite op de kop werd gezeten.

Van Rooden spreekt van een 'etnisering' van het religieuze verschil in Nederland die vooral in gang werd gezet door mannenbroeder Kuyper, “een geboren massapoliticus, een uitzonderlijk begaafd agitator die als geen ander mensen wist te mobiliseren”. Het was Kuyper die de Nederlandse samenleving niet langer als een godsdienstige eenheid opvatte maar als een samenleving waarin verschillende volksdelen hun ware geloof koesterden, een gedachte die uiteindelijk tot de verzuiling heeft geleid. Ook deze revolutie in de verhouding tussen maatschappij en godsdienst is moeilijk als secularisatie op te vatten, schrijft Van Rooden, want opnieuw is niet vast komen te staan dat het belang van de godsdienst is verminderd.

Over de huidige crisis van de kerken laat Van Rooden zich nauwelijks uit. Wel suggereert hij dat zich de afgelopen dertig jaar opnieuw een revolutionaire wijziging in de relatie tussen maatschappij en godsdienst heeft voorgedaan, waarbij de in de vorige eeuw ontwikkelde theorie van de bijzondere volksdelen is verlaten ten gunste van een nieuw begrip van de natie als hoogste morele gemeenschap voor de Nederlanders. De inwoners van dit land lijken als fundamenteel geschiedverhaal de Opstand vervangen te hebben door het verhaal van de Tweede Wereldoorlog, schrijft Van Rooden, en wie weet heeft hij gelijk, misschien projecteren vijftien miljoen mensen hun religieuze gevoelens inderdaad op de heroïsche strijd tussen goed en kwaad uit de oorlogsjaren.