Tegen de verstarde islam

NASR HAMID ABOE ZAID: Vernieuwing in het islamitisch denken

175 blz., Bulaaq 1996, vert. Fred Leemhuis, ƒ 29,90

Zelden zal iemand door derden voor de rechter zijn gedaagd met de eis onmiddellijk zijn huwelijk te ontbinden wegens het bezigen van bepaalde linguïstieke opvattingen. De Egyptische moslimdenker en hoogleraar Arabistiek Nasr Hamid Abu Zeid raakte in deze situatie verzeild nadat een academisch conflict over de tekstanalyse van de koran escaleerde in een bizarre hetze tegen zijn persoon en ideeën. Abu Zeid zou zich volgens zijn vrome tegenstanders schuldig maken aan ketterij en het Woord van God hebben beschimpt. Met de hand op de koran betoogden Abu Zeids recensenten dat zo'n heiligschenner geen moslimse echtgenote verdient, laat staan een promotie tot professor aan de Universiteit van Kairo. Deze week bevestigde het Hof van Cassatie het vonnis van een lagere rechtbank dat hij de islam afvallig was geworden en daarom moest scheiden van zijn vrouw.

Niets heeft Abu Zeids argumenten beter kunnen illustreren dan de reacties op zijn boeken. De intellectuele verstarring en intolerantie die in de islamitische wereld zijn ingetreden, hebben volgens Abu Zeid alles te maken met de manier waarop tegen de koran wordt aangekeken. In plaats dat getracht wordt Gods woord te lezen en te begrijpen, wordt de koran alleen nog maar als een pronkstuk gezien dat aan de muur wordt opgehangen. Nadat verre voorvaderen hun interpretatie van de koran vastlegden in de shari'a, de islamitische wet, is de moslim zich gaan gedragen als een “luie erfgenaam die zijn erfenis verteert en opmaakt”. Het uitblijven van een kritische herbeschouwing van de boodschap van de islam heeft er vervolgens toe geleid dat 'reactionairen' de boventoon voeren en iedere vernieuwing tegenhouden. De islam is zo tot een museumcultuur verworden die de hedendaagse moslims weinig meer te bieden heeft.

Als eerste stap om deze culturele versukkeling te doorbreken, stelt Abu Zeid voor de koran te bestuderen aan de hand van theorieën die in de linguïstiek al veel langer zijn geaccepteerd. God is in deze zienswijze niets anders dan de 'zender' van een boodschap aan de 'ontvangers' in het zevende-eeuwse Mekka en Medina. Om zijn boodschap enige betekenis te geven, zag de zender zich genoodzaakt zijn taal aan te passen aan de historische en sociale werkelijkheid van de ontvangers. De koran moet daarom niet opgevat worden als het eeuwige en onveranderlijke woord van God. De tekst dient daarentegen afgezet te worden tegen een juist begrip van de historische context om de essenties die God zijn gelovigen wil overbrengen te traceren. Door bijvoorbeeld de in het zevende-eeuwse Mekka wijdverbreide veelwijverij in te perken en mannen niet meer dan vier echtgenotes toe te staan, streefde God uiteindelijk naar een gelijke positie van de vrouw. Hedendaagse moslims die het woord van God opvatten als een vrijbrief voor polygamie hebben volgens Abu Zeid deze essentie niet begrepen en negeren de historische context van de koran.

Het grootste bezwaar dat aan Abu Zeids betoog kleeft, is dat hij “het perspectief van ons hedendaagse bewustzijn”, van waaruit hij de huidige relevantie van de koran wil bestuderen, niet nader omschrijft. Hoewel Abu Zeid zijn modernistische voorgangers van het begin van deze eeuw kritiseert wegens hun eenzijdige vertrouwen in Westerse waarden en normen, lijkt het erop dat ook zijn methode voor vernieuwing weinig meer behelst dan het louter opsporen van de nu dominante universele mensenrechten in de basisteksten van de islam. Doordat Abu Zeid deze onduidelijkheid niet wegneemt is het deels te begrijpen dat veel moslims zijn analyse-methode met zoveel vijandigheid hebben ontvangen. Voor hen zijn immers niet zozeer vernieuwing, maar culturele authenticiteit en een grotere politieke macht prioriteiten. Abu Zeid ziet dat zelf anders en verlaat daarvoor de studeerkamer van de linguïst.

De politieke machthebbers in de islamitische wereld weten volgens hem door het voorkomen van een herlezing van de koran “achterlijke maatschappelijke omstandigheden in stand te houden” en politieke veranderingen te blokkeren. Fundamentalistische groeperingen die de letterlijke interpretatie van de koran tot het extreme doorvoeren, bewijzen de Egyptische regering wat dit betreft alleen maar een dienst door de “rationele en kritische stroming”, waaronder Abu Zeid zichzelf schaart, het predikaat secularistisch op te plakken. De vernieuwing van het islamitisch denken en de huidige maatschappelijke machtsverhoudingen zullen daardoor nog moeilijker van de grond komen.

Hoewel Abu Zeids geschriften natuurlijk voornamelijk door zijn landgenoten gelezen zouden moeten worden, kan de Nederlandse vertaling van zijn belangrijkste artikelen door arabist Fred Leemhuis gezien worden als een afrekening met het cliché dat de sociale conflicten in de islamitische wereld worden veroorzaakt door de simpele tegenstelling van het secularisme en het fundamentalisme. Wat Westerse commentatoren zich ook ter harte kunnen nemen is Abu Zeids zienswijze op hun veel gebezigde onderscheid tussen gematigde fundamentalisten en gewapende extremisten. Abu Zeid is immers in Egypte niet de eerste die moet ervaren hoe de gematigden en extremisten elkaar perfect aanvullen. “Op de beschuldiging van ongeloof en ketterij volgen de kogels van de militaire vleugel van het islamistische kamp.” Om deze logica te ontvluchten, vertrok Abu Zeid naar Leiden waar hij werd aangesteld als hoogleraar in de Arabistiek.

    • Reinoud Leenders