Sociaal groen

In het Journaal kwam onlangs een middelbare heer aan het woord van de Nationale Groenraad. Ik dacht eerst dat hij een typetje was van Kees van Kooten, die er ook meteen de Nationale Groenraad bij had verzonnen, maar ik geloof toch dat het echt was. De man protesteerde tegen de bezuinigingen op het openbaar groen, in het bijzonder tegen de onbesuisde daadkracht van een gemeente die 25 meter heg in één keer met de grond gelijk maakte, dat was immers de goedkoopste vorm van onderhoud. Foutje, gaf de wethouder even later toe in dezelfde uitzending.

Zoiets zou Alex Piepenbrock nou nooit toestaan. Sinds een jaar is hij hoofd groen van het Amsterdamse stadsdeel Westerpark. Vroeger werkte hij in Buitenveldert, maar die wijk is al zo af... In een versteende arbeiderswijk als de Staatsliedenbuurt, in de jaren tachtig het hart van de kraakbeweging, is veel meer eer te behalen. Dagelijks is hij bezig vooral méér groen in de wijk te krijgen. Samen met de stedebouwkundige van het stadsdeel en een woongroep in de Eerste Keucheniusstraat wordt daar een experiment gehouden waarbij de parkeerruimtes kleiner worden en de stoepen breder, met hagen erlangs. Hij is ook betrokken bij de nieuwbouw in de Staatsliedenbuurt, met name in de autoluwe wijk, die nu wordt gebouwd op het terrein waar voorheen de Gemeentelijke Waterleiding was gehuisvest, en De Witte Eilanden-strook, waar woningen verrijzen op eilanden met waterplanten eromheen. Het Westerpark zelf ziet er ook veel fleuriger uit sinds er twee keer per week wordt schoongemaakt en er 'kijkgroen' is geplant, zoals rozen, vlinderstruiken met paarse pluimen en velden blauwe bloemetjes. Op pleinen en bij winkels zijn al vijftien grote geraniumbakken uitgezet en er komen er nog dertig, op voorwaarde dat de buurtbewoners ze zelf verzorgen.

De kleinste, maar meest wijdverbreide vorm van openbaar groen in deze buurt zijn de ongeveer 1200 geveltuinen. Dit moet de meest sociale groenuiting zijn die ooit is verzonnen. Je haalt een paar tegels uit de stoep en presto! een tuin van gemiddeld één meter bij 45 centimeter. Het geveltuintje haalt het dus niet bij een luxe-gazon, maar de maat van het perkje is omgekeerd evenredig aan de vreugde die men er kan oogsten. Ruim drie jaar geleden besloot het stadsdeel de buurt hiermee te verfraaien. Aan ongeveer duizend enthousiaste aspirant-stadstuiniers werden gratis pakketten uitgereikt, bestaande uit een vuurdoorn (struik), een clematis en een kamperfoelie (beide klimplanten) en wat vaste planten.

Vorig jaar heeft Piepenbrock de stadswachten een eerste inventarisatie laten maken. Het geveltuinieren bleek moeilijker dan gedacht: de aarde is ondiep en droog doordat de gevel veel vocht eraan onttrekt. Conclusie: drie of vier van de tien tuintjes waren mislukt. De eigenaren kregen een brief waarin stond dat als het niet beter ging, het tuintje zou worden opgeruimd: verslonsde geveltuinen doen het straatbeeld eerder kwaad dan goed. “Ik ga deze maand zelf nog een rondje maken,” zegt Piepenbrock, “want je hebt echt kennis van planten nodig om te zien of het nog wat kan worden. Zo niet, worden ze dit najaar opgeruimd.”

Die brieven zetten bij een aantal buurtbewoners kwaad bloed. Hadden ze nog zo hun best gedaan en nu dit! Konden zij het helpen dat de hond van de buurman steeds in hun tuintje poepte of pieste, of dat er steeds fietsen in werden neergekwakt, of dat balorige jeugd de plantjes eruit trok of zelfs jatte? De één plaatste een wanhopige oproep in het raam achter de tuin - 'Niet poepen!' -, velen namen het heft in eigen hand en zetten er een hek omheen. Maar het is waar, diverse geveltuintjes zijn eenvoudigweg verwaarloosd, ze staan leeg, of vol verdord gras en onkruid. “Je kunt het onderhoud ook een handje helpen”, zegt Piepenbrock. “Als de hond van de buren er vaak piest moet je bijvoorbeeld geen geraniums nemen maar vuurdoorn, die is wat voller van vorm en minder kwetsbaar.”

Toch blijkt tijdens een wandeling door de buurt dat het groen op veel plekken wèl goed gedijt. Van alles kom je in de geveltuin tegen: bamboe, klaver, petunia's, stokroos, rozen, maagdepalm, duizendblad, zonnebloemen van anderhalve meter hoog, plastic zakjes, oude kranten. Op de hoek van de Schaepmanstraat heeft de bewoner liefdevol de lange vingers van de bruidssluier langs zijn ramen gedrapeerd en in een kunstige lus om het straatnaambord gelegd. De buren hebben voor hun gevel een zeer verzorgde rozentuin gemaakt, met een staketsel waar de rozen omheen zouden moeten klimmen en sierhekjes van zowel gaas als gietijzer. In vier blauwe tonnen aan de andere kant van de stoep staan grote coniferen. Hier en daar passen de vitrages en prullaria in de vensterbank wonderwel bij het even verzorgde als knusse assortiment in de geveltuin.

Waar de één van veel gefrut op de vierkante centimeter houdt, kiest de ander voor het grote gebaar. Geveltuinen blijken ook bomen te kunnen bergen, al ziet het stadsdeel dat liever niet. Op onze wandeling wijst Piepenbrock verscheidene essen, wilgen, meidoorns, coniferen en acacia's aan (of beter gezegd: robinia pseudo-acacia's), die in de loop der jaren tientallen meters hoog kunnen worden. De acacia's zijn de toeristen van de geveltuin: in straten waar die langs de stoeprand zijn geplant, groeien ze gewoon onder het trottoir door en steken in de geveltuin weer de kop op.

Wie nog een geveltuin wil hebben, kan die nog steeds krijgen, graag zelfs, maar wel met een schriftelijke aanvraag en tegen betaling van vijftig gulden. Voor dat geld legt het stadsdeel de 'tuin' met grond aan, niet meer met overeind gezette stoeptegels die makkelijk scheef zakken, maar met een mooie stenen rand. Wel moet de tuinier zelf de plantjes kopen. Om de geveltuinen meer kans van slagen te geven wil de stadsdeelraad aan kennisvermeerdering bij de buurtbewoners doen: volgend jaar wordt een geveltuinen-spreekuur ingesteld. “Ik ben nog idealistisch genoeg om al deze mensen graag een mooie omgeving te willen bezorgen”, zegt Alex Piepenbrock, “maar ook realistisch genoeg om te weten dat wel meer mensen dat hebben geprobeerd.”

    • Tracy Metz