Plunderen studio's zorg van Zaïrese radiomakers

U vraagt zich misschien af of u in het komende seizoen een abonnement op het pluspakket van uw kabelexploitant moet nemen, en of het tijd wordt voor een breedbeeldtelevisie, en hoe lang het nog duurt voordat het gehele media-aanbod uw huis in digitale vorm zal bereiken.

De makers van radio en televisie rekenen zich suf aan marktaandelen, reclametarieven en liggen in de clinch met de kabelexploitanten over de toegang van hun stations. De audiovisuele explosie, kortom, is nog maar net begonnen.

In het Afrikaanse land Zaïre heeft men andere zorgen. Hoe ervoor te zorgen, is een belangrijke preoccupatie van de oprichters van drie zgn. community radio's in Zaïre, dat de studio's niet geplunderd worden. Of dat de directie van de radio's niet binnen de kortste keren aan een bepaalde familie of clan toevalt. Om nog maar te zwijgen over de mogelijkheid dat president Mobutu, geen vriend van democratisering in zijn land, op een dag een einde maakt aan het bestaan van onafhankelijke radiostations.

Door deze zorgen, voorkomend in een rapport van lokale ontwikkelingswerkers aan de Cebeco, een uit de katholieke missie voortgekomen ontwikkelingsorganisatie, laat het Radio Nederland Training Centre (RNTC), actief betrokken bij de oprichting van de stations, zich niet zo vlug afschrikken. “Ik zou wel vergen, als u voor mij werkte, dat u van het vliegveld door een bekende werd opgehaald. Een taxi nemen in Zaïre is veel te riskant”, zegt Jaap Swart, directeur van het RNTC.

Hij is net terug uit Roemenië, waar zijn organisatie ook al betrokken is bij het opzetten van lokale radiostations, waarvan een zekere emancipatorische werking moet uitgaan - in ontwikkelingsjargon: “die sociale transformatieprocessen moeten begeleiden”.

Toch is de situatie in zo'n Oosteuropees land anders dan in Afrika of Latijns Amerika waar de organisatie in de loop der jaren al menig radiostation heeft helpen opbouwen. “In Roemenië wemelt het van de goed-opgeleide ingenieurs, die ook met oude apparatuur nog wonderen kunnen verrichten.” Het RNTC kan zijn inbreng dus concentreren op het gebied van journalistieke opleiding voor de toekomstige radiomakers.

In Afrika daarentegen ontbreekt veelal eveneens de know how, reden waarom bijvoorbeeld het RNTC principieel geen oude, door de Nederlandse omroeporganisaties afgedankte apparatuur naar Afrika stuurt. “Dat gaat maar stuk, in de warmte, en er is vaak niemand die het kan repareren”, zegt Swart. “Nieuwe, digitale apparatuur is vaak met een druk op de knop te bedienen. Onderschat niet de snelle technische ontwikkelingen van Afrika.”

Bovendien is kleine handzame apparatuur democratischer dan de oude grote geluids- en andere tafels waarvan de elektronische media zich traditioneel bedienden. Niet alleen omdat die nieuwe apparatuur makkelijker te bedienen is, ook omdat allerlei machthebbers meer belang stellen in de traditionele omroepapparaten, wier logheid als het ware prestige genereerde. En die machthebbers, daar hebben de radiostations die mede door tussenkomst van het RNTC ontstaan, weinig mee op. Het betreft hier ontwikkelingshulp: ook de nieuwe radiostations in Zaïre worden geacht, de gemeenschapszin en het onderling begrip binnen de lokale bevolking te versterken, en elementaire kennis op het gebied van gezondheidszorg, landbouw, vrouwenproblemen etc. te verspreiden.

Het RNTC is sinds het begin van de jaren zeventig betrokken bij het opzetten van community radio en andere omroepactiviteiten in ontwikkelingslanden. Het centrum, idyllisch in de bossen bij Hilversum gelegen naast het omroepcentrum van Radio Nederland Wereldomroep, waarvan het een afdeling is, hield zich traditioneel bezig met het geven van cursussen in Hilversum voor radio- en televisiemakers uit de ontwikkelingslanden. Het RNTC doet dat nog: 48 personen uit diverse landen krijgen er elk jaar een cursus van vier maanden.

Gaandeweg is het RNTC zich meer met het 'veldwerk' gaan bezighouden, waaraan nu ongeveer de helft van het jaarlijks budget van zeven miljoen opgaat. Aanvankelijk was men vooral in Latijns-Amerika druk met het opzetten van community radio, de laatste jaren heeft Afrika de voorkeur, een en ander overigens conform de gewijzigde inzichten van de minister voor ontwikkelingssamenwerking, die voor een groot deel van het budget zorgdraagt.

Het project in Zaïre is mede de vrucht van een seminar voor Afrikaanse initiatoren van radiostations in Costa Rica, waar het RNTC betrokken was bij het opzetten van community radio. De tijd lijkt rijp: voor zover Afrikaanse landen de laatste jaren niet tot anarchie en burgeroorlog zijn vervallen, maken de samenlevingen er een proces van democratisering door, net zoals de Latijns-Amerikaanse wat eerder.

Het RNTC is betrokken bij het opzetten van stations, niet bij hun exploitatie. In het geval van Zaïre gaat het in eerste instantie om de steden Kinshasa, Mbandaka en Mbuji-Mayi, maar de opzet is eigenlijk één station in elke provincie, zodat er nog acht zouden moeten volgen. In heel Afrika vindt trouwens op bescheiden wijze een media- (vooral radio-)explosie plaats, maar Swart vindt dat men de zaak niet helemaal aan de lokale commercie kan overlaten: “dat leidt tot heel veel muziekstations, zonder noemenswaardige sociale functie”. Voor lokale radio, denkt hij, pleit ook dat de ontvankelijkheid voor de traditionele kortegolf-uitzendingen van de BBC, de Deutsche Welle of Radio France International aan het teruglopen is.

En dus komen er die drie FM-zendertjes met een bereik van elk 25 à 30 kilometer rondom in de provinciehoofdsteden van Zaïre. En nu maar hopen dat de ontwikkeling van het land meezit, wat geenszins is gezegd. De community radios in Sierra Leone, Liberia en Nigeria zijn al aan oorlogsgeweld ten prooi gevallen.

    • Raymond van den Boogaard