Opsmukhoofdstad van Europa

Staat de tijd stil? Nee, Nederland krijgt een beroepsleger. De Tachtigjarige Oorlog hebben we nog met huurlingen gewonnen. In de tijd van Napoleon hebben de meeste beschaafde landen de dienstplicht ingevoerd en nu zijn we, om de geschiedenis samen te vatten, terug waar we in 1568 bij Heiligerlee zijn begonnen. En hoe eigenaardig dat ook mag klinken, bij het instellen of oprichten van ons nieuwe beroepsleger doen zich moeilijkheden voor die Defensie niet langer dan dertig jaar geleden ook al dwars zaten.

In de jaren zestig begonnen veel jongens hun haar te laten groeien. De Beatles hadden lang haar, Johan Cruijff en Barry Hulshoff hadden het, de dienstplichtigen wilden het ook. Het mocht niet. In dezelfde tijd is de uitdrukking langharig werkschuw tuig in omloop gekomen. Het haar paste niet onder de helm, het raakte in de patronenband van de mitrailleur, het was een verzwakking van de westelijke verdediging. De voorstanders wezen op Michiel de Ruyter en Cornelis Speelman, de held van Makassar, de tegenstanders antwoordden met Van Speyk die keurig geknipt was. De adjunct-hoofdredacteur van De Telegraaf, de heer Heijting, had in de DDR een parade gezien. Hij was onder de indruk geraakt van de gemillimeterde soldatenbolletjes. Hij heeft er een column over geschreven; anders zou ik dat niet weten. Ik geloof dat de langharigen het gevecht toen hebben gewonnen.

Nu is het bekend geworden dat in het nieuwe Nederlandse beroepsleger geen soldaten met lang haar en sieraden kunnen worden aangenomen. Als je denkt dat de tijd stil staat komt het doordat de geschiedenis zich zo waarheidsgetrouw schijnt te herhalen. Aan beide kanten dezelfde argumenten, dezelfde verontwaardiging als dertig jaar geleden: Lang haar en een oorringetje zeggen niets over de vechtlust, en waarom hebben we anders over alle dictaturen getriomfeerd!

Nee! Discipline moet er zijn! Alle soldaten dragen hetzelfde pak en zij hebben dus ook dezelfde oorlellen. Het zou een mooie boel worden als straks een heel bataljon met een jurk aan uit de loopgraaf kwam.

Juist! Dat hoort tot de rechten van de mens. We gaan het uitzoeken voor het Europese Hof.

De rechters in Straatsburg verheugen zich.

Ik verwacht dat tenslotte het land even weerbaar zal blijven als het nu is. Maar juist daarom: is het niet veel meer een volkenkundig dan een militair vraagstuk? Niet de militairen en juristen maar de etnologen en de etnografen hebben hier, dunkt mij, een belangrijk onderwerp bij de kop.

Gaan we terug naar de rolemodels van het interbellum: Pietje Bell, Dik Trom (en de loteling Gerrit die dacht dat hij na te zijn 'ingeloot', in dronkenschap met zijn klomp een lotgenoot had doodgeslagen). De illustraties tonen jongens met kort haar en zonder enig bewijsje van opsmuk. Dat heeft na de oorlog nog een poosje geduurd. Alleen kunstenaars en degenen die 'excentriekelingen' werden genoemd, deden aan hoofdversiering.

Toen is de kentering gekomen, ongetwijfeld in de jaren zestig. Maar wanneer, wie heeft het voortouw genomen, waar is de eerste oorring verschenen, hoe is het die man - die nu in de vijftig moet zijn - verder gegaan? Op dergelijke vragen zou eens een wetenschappelijk antwoord moeten worden gegeven. En dan vooral: hoe komt het dan dat van alle Europees-continentale landen Nederland hier voorop loopt? Het is een goed onderwerp om te beginnen, voor Intermediair.

Toegegeven: in sommige New-Yorkse buurten is er een groter rijkdom. Ik weet nog goed dat ik daar ergens een lift in wilde en dat er een jongen uitkwam die vijf ringetjes door zijn onderlip had. Na die ontmoeting ben ik er beter op gaan letten, en toen zag ik overal multi-geringde wenkbrauwen, neusvleugels, neustussenschotten, lippen en kinnen. In de buurtblaadjes maken de piercers reclame met hun doorboringstechniek: met of zonder pijn. Je kunt het overal krijgen waar je het hebben wilt, en wie vindt dat hij er dan nog te eenvoudig uitziet, laat zich tatoeëren.

Hoe de toestand in Engeland is weet ik alleen van de voetbalsupporters die je wel eens in Amsterdam ziet, maar dat is een geselecteerde groep die geen grondslag voor een wetenschappelijk oordeel biedt. Op mijn gewone waarneming afgaand zou ik zeggen dat met uitzondering van de Village in New York door mannen nergens zoveel opsmuk wordt gedragen als in Amsterdam. Wij zijn de opsmukhoofdstad van Europa.

Hier komt het wetenschappelijk belang om de hoek kijken. De vraag is: hoe, waardoor is Nederland van een streng calvinistische natie tot deze mate van wuftheid gekomen? Dat blijft trouwens niet beperkt tot wat de hedendaagse Nederlandse man aan zijn gezicht hangt. Om een ander gebied te noemen: nergens op de televisie worden door de nieuwslezers en presentatoren zulke leuke hemden, potverdikkie-dassen en gedurfde jasjes gedragen als in Nederland. Bedenk dat onze voorouders, wars van afgoderij en persoonlijke barok, de Beeldenstorm voor hun rekening hebben genomen. In die dagen zou de versierde man van nu geluk hebben gehad als hij niet op de brandstapel was gekomen. Tot het midden van de jaren dertig hebben de toen op dat gebied geldende maatstaven de toon gezet. Dat blijkt uit alle literatuur, de films en de foto's. Vervolgens, twintig jaar na de Oorlog, is deze radicale cultuuromslag gekomen, de revolutie van de oorbel en de rest. Er is toen iets gebeurd in een collectief van Nederlandse mannenzielen waarvan we het fijne nog niet weten. Dit onbekende heeft nu weer een conflict met de legerleiding veroorzaakt.

    • S. Montag