Ontmoetingen in de Londense Underground; De papegaai schaamt zich

De Londense ondergrondse met zijn 270 stations en 401 kilometer spoor, vervoert dagelijks meer dan tweeënhalf miljoen reizigers en houdt zo het verkruimelde Londen bijeen. Een afdaling in het universum van verzakkende spoorbanen, lekkende daken, doorbuigende bruggen en opeengepakte lijven. Waarom zijn de muizen hier gevoeliger dan elders?

De Londense ondergrondse is het oudste metrostelsel van de wereld. Geliefd bij toeristen. Verguisd door de Britten. Meer nog dan over het weer klagen Londenaars over de Underground.

Het is natuurlijk waar dat het altijd stinkt op station Embankment, dat je station Vauxhall alleen kan binnenkomen door een erehaag van zwervers, dat het altijd stormt in het labyrint van gangen. Londense metrotreinen glijden niet, ze huppelen als kangoeroes over de spoorrails. Of ze staan stil in het duister, op de meest ongelegen momenten. Soms wel veertig minuten als het verouderde metrostelsel weer is volgestroomd met regenwater. Of als een stroomstoring meer dan honderdduizend mensen opsluit in de Londense onderwereld.

Soms verschijnen treinen helemaal niet. Omdat het jaarlijkse stakingsseizoen is aangebroken. Omdat de bestuurder ziek thuis ligt, zijn vervanger die ochtend naar het strand van Brighton is vertrokken, en de Londense Undergroud steeds met een tekort aan personeel kampt. Het is allemaal waar, en het is nog veel erger. Het is verschrikkelijk.

Maar London Underground is ook geraamte en vaatstelsel van de Britse hoofdstad. Zonder metro slibde de metropool onmiddellijk dicht en zeeg ineen. Londen is hopeloos verkruimeld, een conglomeraat van tientallen dorpjes, de enige hoofdstad ter wereld die zich geen gemeente mag noemen, die zelfs geen stadsbestuur kent. Alleen de tentakels van de ondergrondse houden Londen bijeen.

De veelkleurige metrolijnen verbinden niet alleen, ze brengen ook samen wat anders gescheiden blijft. Want Londen is dan misschien de meest kosmopolitische stad van Europa, al die verschillende rassen, al die verrassende nationaliteiten, al die inkomensgroepen, ze leven ieder in hun eigen wijken, in hun eigen reservaten. Caraïbiërs in Brixton, welgestelden in Richmond, Indiërs in Hounslow, joden in Golders Green. Natuurlijke apartheid. Alleen in de ondergrondse komen ze bijeen. Soms raken ze elkaar zelfs even. Rijden met de ondergrondse is reizen door de wereld, door de klassen, door de tijd.

Paddington

“Zaterdag, vanaf zes uur in de morgen tot laat in de avond, reden overvolle treinen met korte tussenpozen tussen Paddington en Farringdon-street. Maar al snel werd duidelijk dat het aantal locomotieven en rijtuigen waarover de treinmaatschappij kon beschikken bij lange na niet voldoende was om op de openingsdag aan de vraag te voldoen.” Uit de Daily Telegraph van 12 januari 1863.

De Metropolitan was 133 jaar geleden de eerste lijn die in gebruik werd genomen. De Dockland Light Railway is de laatste lijn waarmee het metrostelsel in 1993 werd uitgebreid. London Underground telt inmiddels 270 stations en 13 lijnen die 401 kilometer spoor bestrijken. Dagelijks maken gemiddeld 2,6 miljoen mensen van de Londense metro gebruik.

Barry's huid is net zo donker als de tunnels waar hij door rijdt. Barry is bestuurder op de Bakerloo-lijn. In de bedrijfshierarchie is dat de laagste der lijnen, de minst geliefde. Omdat de Bakerloo-lijn als een mol door de Londense klei wroet en alleen maar even in het noorden bovengronds komt. Acht uur per dag tuurt Barry in het duister. Blijft hij verstoken van blauwe hemels en frisse lucht.

Zodra de trein zich in beweging zet, knipt hij het licht uit. Zo kan hij de seinsignalen beter zien. Zo kan hij ook de muizen onderscheiden die vluchten voor de walsende wielen. “Muizen in de Londense ondergrondse zijn anders dan andere muizen”, zegt Barry. “Ze zijn gevoeliger. Ze horen ook beter. Hun huid is doorschijnend.” Barry voelt zich met de muizen verwant.

De knuppel om te rijden en te remmen. De knoppen om de deuren te openen en te sluiten. De telefoonhoorn waardoor hij bestemmingsinformatie geeft. Barry kan ze blindelings vinden. Bestuurder zijn van een metro-trein is geen moeilijk vak, zegt Barry. Moeilijk is alleen steeds bij de les te blijven. Nooit te verslappen. Anders open je de deur aan de verkeerde zijde. Of je kondigt het verkeerde station aan. Dan ben je nergens meer.

Baker Street

Ze hoeft maar even een blik over de inhoud van de handtas te laten gaan om een gedetailleerd beeld van de eigenaresse te kunnen schetsen. Ze zit er zelden naast. Maar deze volkse vrouw met haar geblondeerde haren en haar zwartomrande ogen heeft wel meer opvallende talenten. Elke diplomatenkoffer met een cijferslot maakt ze binnen vijftien seconden open. “Fluitje van een cent.”

Maureen Beaumont werkt al 25 jaar bij het bureau voor gevonden voorwerpen van de Londense metro, sinds vijf jaar als cheffin. Dat werk, ze zegt het met voldoening, heeft haar wereldbeeld gekleurd. Zo is ze ervan overtuigd dat de mens in het diepst van zijn wezen goed is. Hoe anders kan ze verklaren dat er jaarlijks bijna 110.000 gevonden voorwerpen bij haar binnengebracht worden, waaronder draagbare computers en portemonnaies met duizenden ponden? “Je zou de dankbare gezichten van al die eigenaars eens moeten zien.”

Soms helpt ze het geluk een handje. Kinderen van wie de verloren teddybeer niet wordt gevonden, stuurt ze een andere knuffel die volgens het begeleidende briefje 'dringend om een thuis verlegen zit'. Die poppen koopt ze van haar eigen pennies. Want over de knuffels die door ontaarde ouders nooit opgehaald worden, kan ze niet beschikken. Die beren en barbies wacht de openbare veiling, net zoals al die andere verloren voorwerpen die niet binnen drie maanden worden opgeëist.

Ze geeft een rondleiding door haar koninkrijk dat er nog net zo uitziet als toen het bureau voor verloren voorwerpen in 1935 werd geopend. Alleen zijn de rekken met bolhoeden tegenwoordig gevuld met dozen vol mobiele telefoons. Dat er in de Londense metro jaarlijks 15.000 kledingstukken worden gevonden, 13.000 paraplu's en 6.000 brillen, dat kan ze begrijpen. “Maar dat mensen zoveel grote, zoveel bijzondere, zoveel persoonlijke voorwerpen laten liggen. Ze wijst op een staande klok, tientallen krukken, een opblaaspop waarvan de openingen veelvuldig gebruikt zijn. Ze staat stil bij de kast met muziekinstrumenten, een doodskist, de doos met rose kunstgebitten. Deze vrouw verbaast zich nog altijd.

Ze verbaast zich ook over de vele geheimen die mensen met zich meedragen, om ze dan in de metro te verliezen. De bundel verhitte liefdesbrieven in een schooltas. Pornofoto's in de portefeuille van de zakenman. In dat soort gevallen geeft ze het gevonden voorwerp nooit mee aan ouders of een echtgenote. “Je wilt je klanten niet in moeilijkheden brengen. In dit werk moet je niet alleen detective en archivaris zijn maar ook maatschappelijk werker en diplomaat.”

Earl's Court

Op 4 oktober 1911 werden op het station Earl's Court de eerste roltrappen van de Londense metro in gebruik genomen. Ze verbonden de perrons van de District-lijn met de perrons van de Piccadilly-lijn maar het publiek moest er niks van hebben. Om te laten zien hoe veilig de roltrappen waren, werd een man met een houten been ingehuurd die de hele dag op en neer moest reizen. Maar al snel ging het verhaal dat die man zijn ene been juist bij een ongelukje op de roltrap had verspeeld.

Reizen per metro maakt melig. Kijk maar naar de bordjes 'No Smoking'. Nijvere reizigers hebben dat verbod gewijzigd met messen, stiften, schroevedraaiers. Populairst blijft 'No snoring', niet snurken. In Engelse treinen volstrekt overbodig is 'No Snogging', niet vrijen. 'No snowing' is je reinste poëzie.

St James's Park

In het kantoor van David Bailey, directeur ontwikkeling van London Underground Limited, staan twee gipsen kikkers. Bailey koestert die kikkers. Voor hem zijn ze symbool van de noodzaak tot verandering. Omdat ze sterven als ze niet op tijd reageren op een temperatuurswisseling.

Het Londense metrostelsel was ook bijna bezweken doordat het staatsbedrijf dat voor het beheer zorgt, niet adequaat op de tekenen des tijds gereageerd had. Dertig jaar lang hadden wisselende regeringen te weinig geïnvesteerd in het onderhoud. “Misschien”, zegt Bailey, “hebben we het belang ook niet goed genoeg verdedigd.” In elk geval bleek vijf jaar geleden dat het ondergrondse netwerk dreigde te verstoppen als niet in tien jaar twintig miljard gulden in tunnels en rails werd gestopt.

Bailey laat foto's zien van verzakkende spoorbanen, lekkende stationsdaken en doorbuigende bruggen. Foto's uit het rapport De neergang kerend dat hij eerder dit jaar aan de bewindsman voor transportzaken, George Young, heeft overlegd. Inmiddels is de onderneming bezig met wat ze omschrijft als 'een 1.000 miljard mijl-beurt', de grootste achterstallig onderhoudsoperatie uit de historie. Tegelijkertijd werkt de onderneming aan een grootscheepse efficiency-verbetering om ervoor te zorgen dat ze na het jaar 2000 voor onderhoud financieel niet meer van de overheid afhankelijk is.

Zelfs de Conservatieve regering heeft een privatisering van de Londense metro nooit aangedurfd. Volgens Bailey zou zo'n verzelfstandiging commercieel ook weinig voordeel bieden. Hij voorziet alleen maar strijdige belangen. Het belang van maximale winsten voor aandeelhouders. En het sociaal belang dat bij de Londense metro altijd voorop heeft gestaan. “De metro vormt een van de belangrijkste randvoorwaarden voor het economisch succes van Londen”, zegt Bailey. “De metro bepaalt voor een belangrijk deel de kwaliteit van het leven in deze stad.”

Ondergrondse is een bedrieglijke naam voor een metro-stelsel dat voor meer dan de helft door de openlucht trekt. Vlak langs honderdduizenden huizen die demonstratief hun rug hebben gekeerd naar de metro. De ruiten rillen als elke drie, of zes of acht minuten een treinstel passeert.

Geluidsoverlast teistert meer dan de helft van de zeven miljoen mensen in Groot-Londen. Hoeveel tuinen door het spoor worden doorsneden heeft nog niemand geteld. Maar in al die tuinen wappert wasgoed in de slipstream van de metro. Kleurige hemden, bonte jurken, en kanten broekjes die je mensen in de metro nooit ziet dragen.

Brixton

“Denk niet dat onze mensen weg zijn.”

“Als u niemand ziet werken.”

“Ze zijn waarschijnlijk beneden in de machinekamer bezig.”

“Daar is de ruimte heel beperkt.”

“Het is geen makkelijk werk.”

“We vervangen meer dan 6.000 onderdelen.”

“Zo snel als we kunnen.”

“Onze excuses voor het ongemak.”

Vijfentwintig informatieborden - die samen een doorlopend verhaal vormen - begeleiden de reizigers op hun weg van perron naar stationshal zolang de roltrap niet werkt. Dagelijks 22.000 mensen schuifelen over 84 treden. De werkzaamheden duren nog tot ver in de herfst.

Een verkreukelde man met een haakneus probeert de omstanders gerust te stellen. Massaal deinsden ze terug toen hij de overvolle metro binnenstapte. Op zijn rechterhand een kaketoe, op zijn schouder een kale reuzenpapegaai. “Mijn beestjes pikken alleen maar als ze bang zijn. Nooit in de metro. Ze zijn juist dol op de metro. Ik neem ze overal mee naartoe.” En dan begint hij met zijn tandeloze mond te vertellen over zijn trouwe metgezellen. “Je zou het op het eerste gezicht niet zeggen maar die kaketoe, dat is een lolbroek. Altijd grollen. Soms kom ik niet meer bij van het lachen. Moeten ze me de trein uitdragen. In zijn vorige leven is hij vast en zeker cabaretier geweest.”

“Die papegaai, dat zie je, is een heel ander verhaal. Niet te lang naar hem kijken. Daar kan hij niet tegen. Hij schaamt zich. Hij weet ook wel dat hij eruit ziet alsof hij onder een maaimachine heeft gelegen. Een tumor, twee maanden ziekenhuis, en weg waren zijn lelieblanke veren. Ze hebben hem moeten wegslepen voor de poorten van de hel.”

Tooting Broadway

Ze kan niet ouder dan dertig zijn geweest. Ze stond net nog als een kind op haar chocoladereep te zuigen. Ze leek volstrekt op haar gemak. Maar misschien was dat alleen maar omdat ze wist dat haar eind gekomen was.

Ze keek op toen een luchtstroom de komst van een trein annonceerde. Zoals zoveel andere passagiers. Maar zij was de enige die zich schrap zette op het moment dat de platte kop van de trein uit de gewelven opdook. Drie, vier passen, voordat ze zich met een krachtige sprong van het perron bevrijdde. En natuurlijk kon de bestuurder de 300 ton staal nooit op tijd tot stilstand brengen. Voor haar was dat ook niet nodig geweest.

Gemiddeld werpen zich wekelijks twee wanhopige mensen voor de Londense metro. Onderling zeggen werknemers van de metro dan: “Er ligt er weer één onder.” De omroeper meldt fijntjes: “Een persoon op de lijn.”

“Het ergste”, zegt Steve, “is als je het slachtoffer in de ogen hebt gekeken. “Je kunt nog zolang praten met maatschappelijk werkers en psychologen. Dat vergeet je niet meer.” Nog maanden nadat hij over de vrouw was heengewalst, kon Steve niet slapen. Hij had geen eetlust. Zelfs overdag werd hij door bloedige beelden achtervolgd. Steve's ervaring wordt samen met honderdvijftig andere gevallen bestudeerd door een team van stress-specialisten, in het kader van het meest grootschalige onderzoek dat ooit is gehouden naar wat vroeger alleen als het oorlogssyndroom bekend stond. Een studie naar het lijden van de overlevende.

Reis in de spits en zie hoe mensen het transport verdragen. Bij binnenkomst treden ze buiten zichzelf. Door niet te kijken, niet te voelen. Alle zintuigen zijn tijdelijk buiten werking gesteld. De geur van natte kleren en opeengepakte lijven.

De geest staat in de sluimerstand. Of hij verengt zich tot een krant, het drijfhout van de ondergrondse drenkeling. Liefst verticaal gevouwen om het omslaan te versimpelen.

King's Cross

De hal van de roltrap is zijn concertzaal. Reizigers die afdalen naar de treinen vormen zijn ondankbaar publiek. Nooit, nee nooit, barsten ze in applaus uit na zijn ballades. Maar hun beloning druppelt op zijn gitaarhoes in de vorm van beduimelde muntjes. Dat is meer dan genoeg. Marco speelt toch alleen maar voor zichzelf. Van 's ochtends twee tot 's avonds elf. Al meer dan negen jaren, sinds zijn platenzaak in Camden onder de schuldenlast bezweek.

Eerst trad hij alleen op voor de pennies. “Gemiddeld zo'n 200 pond per week. Genoeg professionele muzikanten die van zo'n opbrengst alleen maar kunnen dromen.” Maar al doende kwam hij er achter dat hij zijn lotsbestemming had gevonden. Hij zegt dat optreden zijn voedsel is en doping. Al die jaren is zijn spel alleen maar beter geworden, ook omdat hij gitaar- en zangles heeft genomen. “Een onontdekte ster”, noemt hij zichzelf. “Een kanjer van een straatmuzikant.”

Chagrijnig wordt hij alleen als hij over 'die amateurs' komt te spreken. Studentjes, kinderen nog, die wat bij willen verdienen. Ze bederven de markt voor de serieuze artiesten. Ze zorgen voor een wildgroei die door London Underground met razzia's wordt bestreden. Want de metro-akoestiek gebruiken voor muzikale doelen is verboden. Daar staat een flinke boete op.

Hij kent zijn verantwoordelijkheid als metro-gebruiker. Hij zou de veiligheid van de reizigers nooit in gevaar willen brengen. Bij mededelingen van de omroeper zwijgt zijn gitaar. Als ze hem maar niet telkens als een bedelaar verjaagden. Hij zou best staangeld willen betalen. Zolang ze hem zijn dagelijks optreden maar gunnen “In twee dagen trek ik meer mensen dan Mick Jagger in het Wembley-stadion.”

Alleen de tentakels van de ondergrondse houden Londen bijeen.