Nicholas Payton kan vuur uit zijn trompet halen

De Amerikaan Nicholas Payton (22) wordt in de jazzwereld gezien als dé coming young man op de trompet. Hij is te zien in de nieuwe jazzfilm Kansas City die volgende week in Nederland in première gaat.

CD Nicholas Payton: Gumbo Nouveau (Verve 513 199 2)

Op de cd Gumbo Nouveau slaagt de piepjonge trompettist Nicholas Payton erin een tot op de draad versleten dixielandklassieker als 'When the saints go marching in' nieuw leven in te blazen. Sterker nog, in een opgetuigd arrangement en vertraagd tempo klinkt 'When the saints' als een verrassend fris uitgangspunt voor jazz-improvisatie. “Ik heb tien verschillende traditionals uitgekozen om de rijkdom van de New Orleans-stijl aan te tonen”, zegt Payton, na afloop van een drukbezocht concert op het North Sea Jazzfestival. “Het is een serieuze poging om iets nieuws te doen met deze tunes, waarmee ik als kind ben opgegroeid.”

Payton (22) maakt een goede kans om Roy Hargrove, de eerste trompettist van de nieuwe generatie die internationaal doorbrak, naar de kroon te steken. Payton's solo's zijn spetterender, zijn attaques feller en zijn arrangementen slimmer. Terwijl Hargrove een nieuwe impuls zoekt in de latin-muziek, keert Payton met succes terug naar de roots van de jazz aan het begin van deze eeuw in zijn geboortestad New Orleans, met vindingrijke bewerkingen van bijvoorbeeld 'After you've gone' en 'Way down yonder in New Orleans'. Weinig verwonderlijk was het dan ook dat Payton en niet Hargrove werd gevraagd om in Robert Altmans jazzfilm Kansas City, die hier volgende week in première gaat, de rol van de legendarische leadtrompettist Oran 'Hot Lips' Page op zich te nemen.

Vader Walter Payton was jazzbassist, maar al vlug bleek dat de vingertjes van de jonge Nicholas te kort zouden blijven om ooit iets met dat instrument aan te kunnen vangen. Uiteindelijk, aldus Payton, “was ik in staat om mijn vader met kerstmis over te halen tot de aanschaf van een trompet”. Payton was toen vier. Op zijn elfde kon hij zich een redelijk veelgevraagde local cat noemen, voor fanfare-orkesten en schoolbands. Als zoveel jonge Amerikaanse talenten werd hij niet veel later ontdekt door Wynton Marsalis, die voor het eerst over de telefoon kennis nam van zijn spel. In 1995 verscheen zijn debuut From this moment bij het label Verve. Deze cd, met standards en eigen stukken, klonk veelbelovend hoewel de trompettist niet helemaal uit de verf leek te komen. Wat composities betreft is Gumbo Nouveau coherenter. Bovendien laat Payton meer dan eens horen dat hij behalve mooie lijnen ook vuur uit zijn trompet kan halen.

Payton, een kleine ronde man, reageert ietwat suffig op de vragen die hem worden voorgelegd, hoewel hij zijn antwoorden voorzichtig formuleert, alsof hij een mediatraining heeft genoten. Vreemd genoeg windt hij zich pas op als zijn muziek terloops wordt omschreven als 'klassiek'. Dat label vindt hij niet terecht. “Mijn muziek is minstens zo sterk beïnvloed door de wereld van nu. Over rap kun je net zo goed zeggen dat het 'klassiek' is - die maakt gebruik van samples van dertig, soms veertig jaar geleden. Dus als een muzikant teruggrijpt op vroeger, wil dat niet zeggen dat hij ouderwets is, of niet modern. Alle kunst die iets voorstelt bevat elementen uit het verleden.”

Een Nederlandse jazzmuzikant die zichzelf progressief noemt, zou het als een gotspe beschouwen om, zonder ironie, dixielandklassiekers uit te voeren in 1996. Payton beaamt dat hij door zijn persoonlijke en muzikale achtergrond een bijzondere band met New Orleans-jazz heeft, “waardoor ik me misschien meer kan permitteren.” Overigens komen ook Payton's andere bandleden uit New Orleans, hoewel geen van allen uit Storyville, de hoerenwijk waar Louis Armstrong en al die andere pioniers zich tachtig jaar geleden staande moesten houden.

'I gotta right to sing the blues' luidt een andere klassieker, van Harold Arlen, op Gumbo Nouveau. Is dat dezelfde blues als die van Armstrong, die deze song in de jaren twintig vertolkte? “Natuurlijk”, zegt Payton. “De fundamenten van de blues zijn onmisbaar voor elke vorm van jazz.” Zijn Paytons levensomstandigheden niet beter dan die van weleer, waardoor er minstens een andere blues ontstaat? “Nee. Je groeit op in een bepaald tijdvak. Het ene is niet beter dan het ander. Elke tijd, elk individu, kent zijn eigen portie ellende. Je hebt altijd te maken met teleurstellingen, verlies en tegenslag. Welvaart verandert daar niets aan. En: ook ik moet knokken om mijn muziek geaccepteerd te krijgen bij de mensen van mijn leeftijd.”

Amerikanen praten niet graag over wat hen niet bevalt. Ze blijven liever positief. Na enig aandringen blijkt Payton toch wel iets dwars te zitten: het gebrek aan 'cameraderie' onder jonge jazzmuzikanten. De opmerking verraadt een zekere frustratie. “Dat je verschillende opvattingen van muziek hebt, wil niet zeggen dat je elkaar dan maar moet negeren.”

Naar eigen zeggen is Payton in het verleden ook werkzaam geweest in zulke uiteenlopende genres als rap, funk, R&B, latin en zelfs heavy metal. Als hem naar groepsnamen wordt gevraagd, blijft het echter stil. Het zal bij een studio-gig of een jamsessie in een lokale club zijn gebleven, maar ja, wie hip is of wil zijn, moet laten zien dat hij van alle markten thuis is. Het lijdt geen twijfel waar Paytons hart ligt. “De New Orleans-traditie bevat een schat aan composities. Dat ze de tand des tijds hebben doorstaan, zegt wat mij betreft genoeg over hun melodische en harmonische kwaliteiten.”