Mag sociale zekerheid ook echt zekerheid zijn?

Ieder mens streeft ernaar de risico's van ziekte, invaliditeit of werkloosheid in het leven te verminderen. Een stelsel van sociale zekerheid is gewoon een handige manier om dat collectief te regelen, vindt Thijs Wöltgens. Het is daarom de hoogste tijd dat de sloop van dat stelsel, die nu al tien jaar aan de gang is, een halt wordt toegeroepen.

Elk regeerakkoord is een wapenstilstand met een afschrijvingstermijn van maximaal vier jaar. Vaak wordt afgesproken dat het bestand tussentijds geëvalueerd wordt: een tussenbalans, midterm-review, herijking of andere omschrijvingen die moeten voorkomen dat een van de partijen zich op sluipende terreinwist kan beroepen.

Zo'n afspraak heeft het kabinet-Kok gemaakt over de sociale zekerheid. Het jaar 1996 was aangewezen voor een eventuele grondige heroverweging. Intussen zijn in de afgelopen vijf jaar achtereenvolgens de WAO, de Algemene Bijstandswet, de Ziektewet en de Nabestaandenwet herzien. Voorlopig eindpunt zijn de strengere regels in de Werkloosheidswet. Bovendien wordt volop gediscussieerd over de toekomst van de AOW.

Sociale zekerheid is vooral onzekerheid geworden. Vergelijk dat eens met onze inspanningen om tegenover de internationale geldwereld de reputatie van betrouwbaarheid te vestigen. Vergelijk de sancties in de sociale zekerheid eens met die in de fiscaliteit. Voor alle zekerheid: het gaat me niet om een gelijkstelling naar een niveau waarop iedereen even slecht af is, maar om een vorm van billijkheid.

Het is een algemeen menselijke trek om onzekerheid te verminderen. Juist de verkondigers van het ondernemersrisico hebben de gouden handdruk bij ontslag, winstdeling zonder verliesparticipatie en de eenmalige pensioenbijdrage ontwikkeld. Sociale zekerheid is risicoreductie voor allen. De nu al meer dan tien jaar durende sociale onzekerheid geeft de particuliere zekerheid een glans die zij niet verdient. Zij doorbreekt de solidariteit tussen arm en rijk, gezond en gebrekkig, jong en oud, gezinnen met kinderen en kinderloze tweeverdieners enzovoort. Iedereen moet zijn eigen risico dragen. Filosofisch gezien worden calamiteiten als een eigen keuze gezien, waarvoor betaald moet worden. De kansen op ziekte, ziekte van kinderen, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid vinden hun weerslag in de premies. En dat leidt weer tot discriminatie tussen de werknemers in beloning of in kans op arbeid.

Het paars regeerakkoord is in 1994 gesloten. In de slipstream van de WAO-affaire leden PvdA en CDA de grootste nederlaag in de geschiedenis. VVD en D'66 wonnen. Zij hadden zich sterk gemaakt voor handhaving van de rechten van de bestaande WAO'ers. (De PvdA heeft dat uiteindelijk geregeld in het Bami-akkoord). Uit de Sociaal Culturele Verkenningen 1996 blijkt het jaar 1994 een interessante omslag te markeren. Tussen 1989 en 1993 gingen steeds meer mensen de uitkeringen voldoende vinden. Daarna kreeg de gedachte dat de uitkeringen onvoldoende waren meer aanhangers.

Bij AOW was dat een stijging van 44 procent naar 55 procent, bij de bijstand van 43 procent naar 62 procent en bij de WAO van 47 procent naar 55 procent. Wellicht nog interessanter is dat in diezelfde periode het percentage 17-70-jarigen in Nederland dat de inkomensverschillen te groot vond, steeg van 44 procent tot 54 procent.

In die context is de keuze van de PvdA voor behoud van hoogte en duur van de uitkeringen ook electoraal kansrijk, wellicht te minimaal. Gelukkig is er nog de koppeling. Maar differentiatie van premies voor werkgevers (en dus selectie op de arbeidsmarkt) of voor de werknemers (en dus verschillen in nettobeloning) verdragen zich hoe langer hoe minder met solidariteit.

Aan het eind van de vorige kabinetsperiode werd Kamerbreed een motie aangenomen om de ontwikkeling in Ziektewet en WAO te 'monitoren', alvorens weer allerlei nieuwe beleidsprodukties op gang te brengen. De paarse ondertekenaars van deze motie hebben hun behoefte aan nieuwe beleidsproduktie niet kunnen onderdrukken. Maar het is goed om ons te realiseren dat de nu bejubelde beperking van de sociale uitgaven (nog?) niets met paars beleid te maken heeft. De grondslag werd eerder gelegd. Net zo goed als Nederland al voor paars de hoogste banengroei kende. Dus voor verdere paarse ingrepen in de sociale zekerheid.

Een regeerakkoord is snel afgeschreven. De maatschappelijke ontwikkeling loopt anders. Terwijl de politiek nog bezig is de generaals te evenaren in het winnen van de vorige oorlog - dus doorgaan met sociale bezuinigingen - neemt de maatschappij afstand. Terwijl de politiek vraagt om discussie en dynamiek in de sociale zekerheid en iedere week naar een nieuw grand design uitziet, vragen de mensen om rust in de sociale zekerheid. En weet u wat het rare is? Als we deze rust uitroepen heeft dat hetzelfde effect als rechtszekerheid in het algemeen. Sociale consensus, sociale rust wordt in een wereld waarin vooral het kapitaal beweegt, misschien nog belangrijker dan de kwalificatie voor de EMU.

Een regeerakkoord als wapenstilstand moet zijn meerdere erkennen in een pacificatie. De pacificatie over het bijzonder onderwijs van 1917 is tot de dag van vandaag een grondwettelijk taboe dankzij de toentertijd oppositionele SDAP die de gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs steunde. Misschien heeft uitgerekend het paarse kabinet de mogelijkheid om een pacificatie over sociale zekerheid te bereiken die dankzij de nu oppositionele christen-democraten grondwettelijk verankerd wordt. Als de ambitie van paars is om van sociale zekerheid weer zekerheid te maken, dan moet zij nu een oproep doen aan de om mee te werken aan een duurzaam stelsel. Ik ga ervan uit dat het CDA zo'n oproep volgt. Mocht dat niet het geval zijn, dan weet iedereen waaraan we het voortduren van de sociale onzekerheid te danken hebben.