Lichaamstaal van Ben Vet

De schouders van een kogelstoter en een discuswerper zijn breed. Bij voorkeur niet gevuld met vet, maar met spieren. Om kogel of discus ver van het lichaam te werpen zijn spieren alleen echter niet toereikend. Meer dan zeven kilo kogel laat zich niet zomaar door menselijke kracht verplaatsen.

Zo wedijveren draai- en aanglijtechniek aan de hand van biomechanische computertellingen met elkaar om de beste wijze van lancering. Maar altijd zal de geworpen kogel eerder vallen dan gewenst. Meer dan negentien meter stemt al tot tevredenheid. Dan toch liever de discus gooien, draaiend om de as van het lichaam, een schijf van twee kilo losjes maar zeker aan de binnenkant van de vingers meevoerend. Het is een genot haar roterend te zien wegvliegen en te volgen naar de verste hoeken, hopend dat ze niet meer zal dalen. Soms, als de wind gunstig staat, valt ze pas na een vlucht van meer dan zestig meter. Praat de discuswerpers niet van wind. Altijd naar teletekst kijken om van de richting en de kracht te weten. En op het werpveld almaar omhoog kijken en voelen hoe de wind staat. Van alle banen de windgevoeligheid kennen - dat is ook discuswerpen. Het mooiste talent van een kogelstoter en een discuswerper is toch zijn wilskracht: de onstuitbare aandrift zo ver mogelijk te gooien.