Globalisering is een zegen voor weinigen, een vloek voor velen

Het globaliseringsproces dat de afgelopen paar jaren in opmars is, gaat zo snel, en is zo veelomvattend en vernieuwend, dat het ons vermogen de gevolgen ervan op de huidige economie te analyseren, te boven gaat.

Een van de veranderingen waaraan de media, ondanks de kolossale sociale en culturele invloed van de globalisering, de minste aandacht hebben besteed, is de breuk die zij heeft doen ontstaan tussen plaats en produktie. Zoals iedereen weet, gaat speculatie-kapitaal daarheen waar snel winst gemaakt kan worden - waarbij milieureglementen, arbeidswetten en andere mechanisme om ecologische, economische en sociale evenwichten te waarborgen ontweken worden.

Op dit moment worden wij geconfronteerd met een proces dat de relatie tussen de produktie en de economische, juridische en politieke plaats van burgers lijkt te zullen elimineren - burgers die altijd een gevoel van verantwoordelijkheid voor hun omgeving hebben gehad, hun sociale waarden hebben gehandhaafd en een soort controle hebben uitgeoefend op de plaats waar zij woonden. Vanuit deze vertrouwde opvatting van het sociale leven, komen wij nu terecht in een abstracte wereld waarin beperkingen en beheersingsmechanismen praktisch onmogelijk zijn.

De breuk tussen produktie en plaats introduceert volstrekt andere dan de traditionele waarden, en is een bron van zorg en verwarring voor het overgrote deel van de wereldbevolking. Het schuiven met enorme hoeveelheden speculatiekapitaal heeft, onder andere, een nieuw fenomeen voortgebracht dat in de economische wetenschap bekend staat als 'externalisatie van produktief kapitaal'.

Als, bijvoorbeeld, twee mensen in een bepaald land drinkglazen willen produceren, hebben zij in wezen dezelfde produktiekosten en opereren op dezelfde markt. Maar als een producent met zijn kapitaal zijn land verlaat, en van land naar land trekt op zoek naar betere investeringsmogelijkheden externaliseert hij de kosten, omdat hij te maken heeft met produktiefactoren die geen verband houden met de waarde van een glas in zijn eigen land.

Het fenomeen van externalisering heeft, bijvoorbeeld, te maken met het feit dat er vandaag een miljard arbeiders zijn die een dollar per dag verdienen en een ongeëvenaarde potentiële werkende bevolking vertegenwoordigen.

Bovendien neemt slechts 30 procent van de 5,7 miljard bewoners van onze planeet volledig deel aan de markt, hetgeen betekent dat zij elke goederencategorie, van kleding, voedsel en auto's, tot toerisme, communicatie enzovoorts consumeren. De andere 70 procent neemt slechts partieel deel aan die markt.

Daarom heeft er de afgelopen vijf jaar een snelle produktieverhuizing van Noord naar Zuid plaatsgevonden. Japan is een goed voorbeeld - een uiterst geïntegreerd land, zonder etnische minderheden of religieuze verschillen, met een sterk nationaal identiteitsgevoel en een traditie van bedrijven die arbeiders levenslang werk, scholing van hun kinderen en andere voordelen garanderen. Maar tegen 1995 heeft Japan 33 procent van zijn automobielproduktie in het buitenland ondergebracht. De bestemmingen van deze kolossale nieuwe vestigingen zijn landen die betere voorwaarden voor produktiespeculatie bieden. Voor de automobielindustrie betekende dit, alleen al in 1995, de produktie van 5,7 miljoen auto's in het buitenland. Om dezelfde reden is er in de afgelopen vijf jaar in China, waar de lonen zeer laag zijn, 22 keer zoveel buitenlands vermogen geïnvesteerd als in Brazilië.

Dan rijst de vraag: 'Maar is het niet goed dat dit kapitaal naar de minst ontwikkelde landen vloeit? Wat zijn de gevolgen voor de gemiddelde bevolking?' De bekende sportschoenenfabrikant Nike sloot al zijn fabrieken in de Verenigde Staten en verhuisde naar Hong Kong, Taiwan, Zuid-Korea, China, Vietnam, Indonesië en Bangladesh. In Indonesië heeft Nike 5.000 werknemers - die elk het minimumloon van 2,10 dollar per dag krijgen. De produktiekosten voor een paar schoenen in Indonesië is 6,65 dollar, waarvan 2,60 dollar loonkosten. Nike verkoopt deze schoenen vervolgens in de Verenigde Staten voor een bedrag tussen 70 en 135 dollar. Hoewel verontwaardiging misschien de natuurlijke reactie op dit ontstellende verschil lijkt, staat het management van Nike klaar met een rechtvaardiging.

'U moet zich realiseren', antwoorden zij, 'dat produktiekosten in de Verenigde Staten slechts 25 procent van de verkoopprijs bedragen; de andere 75 procent gaat naar reclame en distributie. Zij voegen eraan toe dat het feit dat superster basketbalspeler Michael Jordan zijn naam aan het produkt verbindt, 20 miljoen dollar kost, hetgeen betekent dat hij aanzienlijk meer betaald krijgt dan alle 5.000 arbeiders van Nike in Indonesië in een jaar verdienen - een totaal van 12,5 miljoen dollar.

Een paar maanden geleden was er een discussie over een verhoging van het minimumloon in Indonesië van 2,10 naar 2,37 dollar per dag en ondanks het feit dat de minister van Industrie erkende dat het huidige minimumloon slechts 93 procent van de eerste levensbehoeften dekt, sloot hij een verhoging uit. Waarom? Omdat hij bang was dat het Indonesië uit de arbeidsmarkt zou drukken, aangezien de lonen in nabijgelegen landen zoals India, China en Vietnam, lager zijn.

Vanaf het midden van de vorige eeuw tot een paar jaar geleden zou niemand hebben beweerd dat armoede een niet te verhelpen gegeven was. Wij geloofden allemaal, op de een of andere manier, dat de armen door vooruitgang en ontwikkeling op een dag in staat zouden zijn toe te treden tot de consumentenmaatschappij. Naarmate de globalisering voortschrijdt, wordt deze hoop echter niet groter doch kleiner. Terwijl vooruitgang en ontwikkeling sneller gaan dan ooit voor mogelijk werd gehouden, produceren zij meer armoede en ongelijkheid.