Een nieuw bewaarbeleid in het Algemeen Rijksarchief; Nationaal geheugenverlies

Het Algemeen Rijksarchief in Den Haag is ons nationale geheugen, waar alle overheidsdocumenten in terechtkomen. Dateerden de jongste archiefstukken vorig jaar nog uit 1945, nu belanden documenten al na 20 jaar in het archief. Omdat er elk decennium veertien kilometer papier bijkomt, moet er ook worden vernietigd. Maar wie bepaalt wat aan de vergetelheid wordt prijsgegeven?

Geschiedenis zoemt, en soms knispert ze even. De bezoekers in de studiezaal van het Algemeen Rijksarchief lezen, zwijgen. Iemand slaat een bladzij om van een decimeters dikke band ('Negende deel der Batavia's inkomende brieven overgekomen 1732'). Het gezoem, dat is de klimaatbeheersing die de studiezaal op 22 graden Celsius houdt, het depot op achttien en de bewaarplaats voor microfilms op acht.

Tachtig strekkende kilometer papier, 609 meter dozen met microfilms en 300.000 kaarten liggen in de negentien depots van het Algemeen Rijksarchief (ARA) in Den Haag. Stukken van 1179 tot 1993. Kasten vol met de archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie. De ratificaties van de Vrede van Munster. Dat ene stofomslag met de bevindingen van de commissie Bioscoopgevaar uit 1919 (“In de Mariastichting is een knaap opgenomen die door bioscoopbezoek, detective lectuur etc. op verkeerden weg was geraakt”).

Wie ze zoekt, vindt hier de gecalligrafeerde stamboom van de familie Couperus, aantekeningen van Hugo de Groot 'betreffende het plaatsen van vuurbakens op de Maas' of een tekening van de 'demolitie van het bastion Dauphin' in 1817, op een 'schaal van 10 roeden Rijnlandsch'. Dit zijn de mijngangen van de geschiedenis.

In de studiezaal zitten studenten die onderzoek doen naar de werkverschaffing in de jaren '30, streekhistorici die plattegronden van vestingwerken in Groningen bestuderen, buitenlandse hoogleraren die zich bezighouden met de milieupolitiek van Indonesië in de twintigste eeuw. In hemdsmouwen loopt het hoofd van de studiezaal S.F.M Plantinga tussen de tafels door. Hij lijkt alle bezoekers en ieders onderwerp te kennen. Hij geniet zichtbaar van het werk dat in zijn zaal wordt verricht. Dit is geschiedenis in bedrijf. Tegen de achterwand de staande klok met de spreuk Tempora mutantur - de tijden veranderen.

Op 1 januari is de nieuwe Archiefwet van kracht geworden, die bepaalt dat overheidsstukken na twintig jaar moeten worden overgedragen aan de rijksarchiefdienst (die behalve het ARA in elke provincie nog een rijksarchief beheert). Vorig jaar dateerden de jongste stukken in de archieven nog uit 1945. 'Middeleeuws' noemde toenmalig rijksarchivaris A.E.M. Ribberink dat in 1988: in andere Westeuropese landen werden de meeste archieven al na dertig jaar opengesteld. Dit jaar zijn alle overheidsarchieven van 1976 en ouder in Nederland openbaar geworden.

Een overwinning voor de democratie, vindt Ribberinks opvolger dr. F.C.J. Ketelaar. En een omvangrijk probleem voor zijn dienst. De mijngangen dreigen verstopt te raken.

In de vitrine in de hal hangt een bescheiden kartonnetje: Het Algemeen Rijksarchief is het 'nationaal geheugen' dat ter beschikking staat van de bevolking. Het is de geest van de Verlichting die hieruit spreekt. De tekst gaat terug op de Franse Revolutie. In 1790 nam de Assemblée Nationale een wet aan die de burger het recht gaf kennis te nemen van overheidsstukken. De ambtenaar moest de stukken laten zien sans frais et sans déplacement (gratis en zonder iets achter te houden).

Zo radicaal ging het er in Nederland niet direct aan toe, na de oprichting van het ARA in 1802. Nog in 1828 achtte een hoge ambtenaar van koning Willem II het bijzonder onverstandig om “staatsstukken die uit de aard der zake geheim zijn en eer vervelend dan belangrijk voor het publiek”, openbaar te maken. Tegenwoordig staat de openbaarheid van overheidsstukken buiten kijf. Maar daarmee zijn niet alle problemen opgelost.

Er is een prijs die betaald moet worden voor de verkorte overbrengingstermijn, zoals de twintig-jarenregeling heet. De oude werkwijze, stelt de Rijksarchiefdienst, voldoet niet langer om die dertig jaar 'ineens', de jaren 1945-1975, op te nemen in het nationale geheugen. De nieuwe verwerkingsmethode die de dienst daarvoor heeft bedacht, heeft fel protest uitgelokt, met name van de kant van historici. 'Weggooien zonder kijken', is de karakterisering. 'Een kunstje om grote hoeveelheden archiefmateriaal te vernietigen'.

Vernietigd is er altijd in de archieven. Selectie moet plaatsvinden - wegens plaatsgebrek, maar ook om de boel inzichtelijk en dus toegankelijk te houden. “De essentie van het geheugen”, zegt de rijksarchivaris, “is dat je ook zaken nèt opslaat, of ze na verloop van tijd weer weglaat.”

Het nationale geheugen is het residu van het verleden, zoals het mensenlijk geheugen dat van een leven is. Van alles wat is gebeurd, beleefd, gezien en opgetekend is slechts een deel overgebleven. En wie zou durven beweren dat dit het belangrijkste deel is? Toeval speelt daarvoor een veel te grote rol bij de overlevering - zoals de voormalige rijksarchivaris J.L. van der Gouw ooit zei: “Een stadsbrand kan uitermate nuttig zijn voor de archiefselectie.”. En zelfs als een stuk na tal van omzwervingen in het archief belandt, is het daarmee niet behouden voor het nationale geheugen.

Op de bovenste verdieping van het ARA, waar het naar stijfsel en nieuw papier ruikt, houdt restaurator W. Hoogduin een vel op. “Een prachtige chemische schade.” De inkt is uit de grote letters geoxideerd. De woorden hebben gaten gebrand in het papier. Om hem heen liggen weggeschimmelde boeken en aangevreten charters die geen behandeling nog leesbaar kan maken.

Historici hebben ermee leren leven. Vooral zij die de geschiedenis van vóór de negentiende eeuw bestuderen. Maar iets anders is het bewuste weghouden van zaken uit ons nationale geheugen. Daar past schroom, dat vindt Ketelaar ook: “Bij selectie maak je keuzes die irreversibel zijn. Dat verklaart de scherpte van het debat met de historici - en dan is debat nog een vriendelijke omschrijving van wat soms plaatsheeft. Maar iemand moet zeggen: dit gaat weg, dit blijft.”

Hoe ging dat vroeger? Toen werden de pakken papier het rijksarchief binnengereden, op goede staat beoordeeld en in de kast gezet. Zodra er tijd voor was, werden de dossiers geopend en de stukken bekeken. Een archivaris, soms met hulp van historici of deskundige amateurs, besliste wat vernietigd moest worden, wat bewaard bleef en in welke volgorde. Daarvan werd een inventaris gemaakt die het archief ontsloot, waarmee het eerst recht openbaar was.

Een bewerkelijke methode. In de jaren zeventig was al een achterstand ontstaan van tienduizend manjaren op de ontsluiting van archieven. Die achterstand zou alleen maar groter worden op het moment dat in 1996 ineens dertig jaar overheidspapier extra wordt overgedragen. En zeker het papier van de naoorlogse overheid. Tien jaar vergunningen = 2,5 kilometer kastruimte.

In 1990 stond in alle rijksarchieven samen 158 strekkende kilometer, vijf jaar later waren daar zeven kilometers bijgekomen. De volgende vijf jaar verwacht de Rijksarchiefdienst 35 kilometer papier. “In het jaar 2000 zal de grens van 200 strekkende kilometer beheerd archief worden gepasseerd. Daarna zullen de eerste capaciteitsproblemen in de depots gaan optreden”, aldus het beleidsplan. “De omvang van de over te nemen archieven van na de Tweede Wereldoorlog is groter dan de totale collectie van de voorgaande eeuwen.”

Overzetten van archief op microfilm of digitalisering ervan zou het ruimtegebrek tegengaan. Maar dat kost tijd en de archiefdienst heeft al te maken met grote achterstanden: dit jaar liggen ze 87 kilometer achter bij het verpakken en nog 7 kilometer op het omzetten van originelen op andere dragers om de schade tegen te gaan die wordt veroorzaakt door veelvuldig gebruik. Bovendien blijft het probleem van de ontsluiting van de enorme departementale archieven onveranderd groot.

“De overheid is sinds de jaren vijftig afgrijselijk op volle toeren gaan draaien”, aldus dr. R. Hol. “Het sociale zekerheidsstelsel past nu eenmaal niet op de achterkant van een A4-tje.” Als leider van het zogeheten PIVOT-project is hij verantwoordelijk voor het nieuwe selectiebeleid en daarmee voor de rigoureuze vernietiging van enorme hoeveelheden dossiers. Hij deinst achteruit. “Nee, nee, zo gaat dat in Nederland niet! In Nederland is nooit iemand alleen verantwoordelijk.”

Misschien ook omdat Hol zelf historicus is, wordt hij door de tegenstanders van de nieuwe methode vereenzelvigd met het project. Alsof hij is overgelopen naar de vijand. Hol spreidt zijn armen en galmt: “Ze mogen me vervloeken, ze mogen op mijn graf spugen - maar zeg niet dat we geen beslissing hebben genomen.”

Het archief is een gevoelig plekje voor historici. Archiefwerk wordt sinds de negentiende eeuw beschouwd als de basis van de geschiedschrijving, onder het motto ad fontes - terug naar de bron. Het was een uiting van een algemeen wetenschapspositivisme: de waarheid is kenbaar. Als je alle stukken hebt gelezen, vloeit de waarheid je vanzelf uit de pen.

Al gauw ontdekten de historici ook de bekoring van wat Huizinga de historische sensatie heeft genoemd: “Het gevoel van een onmiddellijk contact met het verleden”. Een met bloed bespatte brief van de zwaargewonde Willem Lodewijk van Nassau, een verzegeld pakje waaruit een haarlok tevoorschijn komt, een handschoen, een kaartje voor de schouwburg en een hartstochtelijke brief - er verschijnt een glans in de ogen van de historicus die over zijn of haar ontmoetingen met het tastbare verleden spreekt.

Het beeld van de archivaris-oude stijl sluit naadloos aan bij dat romantische gevoel. Een vrek op zijn geldkist, die niet kon scheiden van zijn stukken en ze met ostentatieve tegenzin uit zijn kast - zijn kast - haalde. “De oude archivaris was iemand die àlles bewaarde”, zegt de historicus prof.dr. C. Fasseur. “Omdat hij door twijfels werd overmand als hij iets boven de prullenmand hield. Als historicus wist je: bij zó iemand is het archief in goede handen.”

Het PIVOT-team is volgens Fasseur uit ander hout gesneden. “Het zijn jongeren, managers die de zaak willen stroomlijnen. Die bovendien heilig overtuigd zijn van hun gelijk. Het resultaat is dat de stukken wel eerder openbaar worden, maar dat er nauwelijks nog iets van over is. Een romparchief. Het doet me denken aan de Amerikaanse bevelhebber die het platbombarderen van een dorpje in Noord-Vietnam rechtvaardigde met het argument: 'Om het dorp te behouden hebben we het moeten vernietigen.' ”

Negentig procent van alle stukken van de centrale overheid zullen worden vernietigd, is de schatting. Bij zulke hoeveelheden is het ondoenlijk om alle stukken te bestuderen en vervolgens te beslissen wat weg kan en wat niet. “Een archivaris leest niet”, zei Ketelaar in 1990 tegen Het Parool over de omstreden vernietiging van de dossiers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst. “We zitten niet met rode oortjes de persoonsdossiers te lezen.”

Het PIVOT heeft een methode van 'functionele selectie' ontwikkeld. “We selecteren niet meer op basis van de inhoud van een dossier, maar op basis van zijn functie”, aldus teamleider Hol. De archivaris onderzoekt de instelling die het archief heeft opgebouwd en kijkt welke stukken bepalend zijn voor het functioneren ervan. Het resultaat is dat van de beleidsstukken de meeste zullen worden bewaard en van de persoons- of zaakdossiers de meeste worden vernietigd.

Ketelaar nuanceert dat. De nieuwe methode legt de parameters van het beleid vast en de wijze waarop die wordt uitgevoerd. Als je weet wat in de Belastingwet staat en weet hoe die wordt toegepast, dan kun je uitrekenen hoeveel inkomstenbelasting iemand moet betalen die een jaarsalaris van 70.000 gulden heeft. Daarvoor hoef je niet alle individuele dossiers te bewaren. “Je kunt van de routine meer weggooien dan van de bijzonderheden, als je de routine maar kent.”

Hij geeft twee voorbeelden. “Het archief van de immigratie- en naturalisatiedienst. Daar zitten duizenden dossiers in van asielzoekers, met een schat aan informatie over de landen waaruit ze komen. Moet ik die bewaren? Nee, ik moet vastleggen hoe de overheid omging met die asielzoekers.”

Of de dossiers van de Sociale Diensten. “Interessant - wie deelde welke voordeur, hebben ze daar een tweedehands televisie of een dure auto staan - maar tenzij zulke gegevens van belang waren om een uitkering toe of af te wijzen, komen ze niet in het archief.

Minder stellig is de rijksarchiefdienst inmiddels over de vernietiging van de persoonsdossiers van de BVD. Onder druk van een publiek debat is de besluitvorming daarover uitgesteld. In oktober spreken de verantwoordelijke bewindslieden erover in de Tweede Kamer. Ketelaar begrijpt de gevoeligheid in deze kwestie. Aan het lijstje van het PIVOT is het criterium toegevoegd: 'Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en die onttrokken zijn aan democratische controle'. Maar toch houdt Ketelaar ook hier vast aan hetzelfde principe: “Prins Bernhard is voor mij geen interessante figuur in een BVD-dossier, tenzij hij voor de BVD een interessante figuur was.”

De discussie over de selectiemethode heeft een fundamenteel verschil van mening naar voren gebracht over de functie van het rijksarchief. Ketelaar: “Het rijksarchief is het geheugen van de overheid in relatie tot de burger. De bewaaroverweging is dat ik moet kunnen reconstrueren hoe de overheid omgaat met de samenleving.”

Het is meer dan dat, vinden historici. Het rijksarchief is een afspiegeling van de samenleving. Ketelaar vindt dat een overschatting van zijn collectie. “Archieven worden niet gevormd als historische bron, niet om historici van dienst te zijn, maar als bijprodukt van een handeling. Er gebeurt zoveel in de maatschappij dat zich aan de waarneming van de overheid onttrekt en dus ook nooit in haar archieven terechtkomt.”

Terwijl de archiefdienst vasthoudt aan wat zij als een objectieve selectiemethode beschouwt, schermen de historici met het in de Archiefwet vastgelegde begrip 'historisch belang'. Ketelaar zucht: dat is zo moeilijk. Op een symposium over de vernietiging kwam de suggestie op dat je misschien dossiers van historisch belangrijke Nederlanders zou moeten bewaren. “Ik zweer je, twee dagen later kreeg ik een brief van het COC, of ik toch wel de stukken van homoseksuelen wilde bewaren, de dag erna van het Lesbisch Front, of we maar niks van lesbische vrouwen zouden weggooien en ten slotte een brief van het Fries Letterkundig Documentatiecentrum, of we alle Friese archieven goed wilden bewaren. Zo kom je er dus nooit uit. Dergelijke criteria zijn vreemd aan het archief, want ze zijn nooit met dat doel opgebouwd.”

Als voorzitter van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap heeft Fasseur in mei een brandbrief gestuurd naar staatssecretaris Nuis van Cultuur, verantwoordelijk voor het archiefbeheer. De culturele waarde die de archieven vertegenwoordigen wordt geschaad door de nieuwe selectiemethode, vindt het genootschap. Het drong er bij Nuis op aan, dat er “werkelijk inhoudelijk overleg gevoerd wordt over de selectie en vernietiging”. De staatssecretaris antwoordde op 1 juli dat “de belangen van het historisch onderzoek” in de discussie worden behartigd door... de archivarissen.

En zo is de discussie, die zich voor een groot deel in de archiefcommissie van de Raad voor Cultuur heeft afgespeeld, het adviescollege van Nuis, de laatste maanden vastgelopen.

Hol: “De discussie is Prinzipienreiterei geworden.”

Fasseur: “Het doel is de middelen gaan heiligen. Omdat de archiefdienst geen tijd meer heeft, is de methode heilig verklaard.”

Hol: “Onze regel is: alles kan weg, tenzij - en niet het argument van de historici: je kunt nooit weten wie het over honderd jaar nog eens wil inzien.”

Fasseur: “Je kunt van bepaalde archieven vaststellen dat ze van waarde zullen zijn voor toekomstig historisch onderzoek.”

Hol: “Informatiewaarde als criterium, daar kan ik niks mee.”

Fasseur: “Het wordt allemaal afgewezen volgens het ambtelijke motto 'daar kunnen we niet aan beginnen'.”

Vorig jaar schreef de historicus drs. A.L.M. van Zeeland, werkzaam bij het bureau wet openbaarheid van bestuur bij Buitenlandse Zaken, in het Tweede Jaarboek voor de geschiedenis van de Nederlandse buitenlandse politiek in de twintigste eeuw een vernietigend artikel over de praktijk van de PIVOT-methode.

Hij onderwierp het PIVOT-rapport over het ministerie, Gedane buitenlandse zaken, aan een grondige analyse. Door de handelingen van een ministerie louter af te leiden uit de wet- en regelgeving, en niet meer de dossiers in te kijken die bij de uitvoering horen, wordt de overheid gesimplificeerd tot een ideaalmodel, schrijft Van Zeeland. En om te laten zien wat de archivaris daarbij over het hoofd ziet, geeft hij een aantal voorbeelden van dossiers die zich aan dit model onttrekken - en die volgens de PIVOT-methode dus vernietigd moeten worden.

Tijdens de Golfcrisis in 1991 werd een interdepartementale commissie ingesteld (de zogeheten Golfclub). “Dergelijke groepen”, schrijft Van Zeeland, “zijn zeer belangrijk en functioneren op hoog niveau. Zij bepalen het beleid en adviseren de minister(s). Men heeft in dergelijke situaties niet meteen oog voor het administratief belang, maar is meer probleemoplossend bezig. Het is jammer voor PIVOT, maar het leven is, ook bij de Rijksadministratie, sterker dan de leer i.c. het 'logisch model'.”

Stukken die “historisch gezien wel van belang zijn”, zullen worden vernietigd, schrijft Van Zeeland. Hij noemt als voorbeeld een politiek-gevoelig dossier als de visum-aanvraag van Poncke Princen. Hij kan uit de PIVOT-publicatie niet opmaken of dergelijke archivalia bewaard blijven.

Hol wijst erop dat de historicus die bang is dat belangrijk materiaal wordt vernietigd, bezwaar kan maken tegen de selectielijst van het betreffende archief. Die ligt acht weken ter inzage voordat de minister hem bekrachtigt. Makkelijker gezegd dan gedaan, gromt Fasseur. Hij slaat een 'basis selectie document' open: dat van het beleidsterrein beheer van de rijksbegroting 1940-1993. Nummer 187 van de lijst komt voor vernietiging in aanmerking:

grondslag CW art.12/eerste en derde lid (vervallen 1 januari 1987 [Stb. 1987, 606])

handeling Het toevoegen van 'ongebruikte bedragen aan de begroting van het volgende jaar.

periode 1977-1986

“Ik kan er geen wijs uit worden”, zegt Fasseur. Laat staan dat hij er bezwaar tegen kan maken.

Waarom wordt in het archief van het Beheer van de Rijksbegroting wel 'Het opstellen van de zgn. Hangpuntenbrief' uit 1990 bewaard, en niet 'Het beantwoorden van vragen van burgers inzake het beheer van de rijksbegroting' in de periode 1940-1993? Zegt het laatste niet meer over de relatie van de overheid tot de burgers dan het eerste? Als vooral de beleidsstukken worden bewaard en veel van de persoonlijke dossiers worden weggegooid, zegt Fasseur, krijgen de stamboomzoekers het ook moeilijk.

Daar raakt hij een gevoelig punt voor het pas-verzelfstandigde Rijksarchief. Naar schatting van Ketelaar komt 75 à 80 procent van de bezoekers van het ARA familie-onderzoek doen. De belangrijkste toename van het aantal bezoekers (van ruim 4.000 in 1980 tot 6.081 vorig jaar) behoort tot deze categorie.

Rond het middaguur is de hal van het Rijksarchief een kantine. Met hun boterhammenzakjes op schoot, wisselen de bezoekers de belevenissen van de ochtend uit. In de gesprekken vervliegt het onderscheid tussen heden en verleden. “Dat was tien jaar geleden, in 1720.” Of: “Is zij de moeder...” “Nee, zij is de schoonmoeder van de man uit Oosterzee die het veer op Kuinre voer.”

Er gaan tips over de tafel, aanmoedigingen, vragen. “Dat zeg ik in mijn boek van 200 bladzijden.” “Dus u heeft uw boek gepubliceerd?” “In zoverre dat je het tegenwoordig kunt kopiëren, hè.”

“Stambomen maken is de nationale hobby geworden”, zegt Plantinga, hoofd van de studiezaal. Hij noemt het de “democratisering van het archief”. “De treinconducteur die hier tussen twee diensten even binnenwandelt om gauw nog wat onontdekte familieleden te zoeken.”

Agaath Heineman-Goedhart (49) kan zich haast geen ander gebruik van het archief voorstellen. Als haar wordt gevraagd wat ze in het ARA komt doen, zegt ze, bijna verbaasd: “Genealogie, natuurlijk.” De multomap onder haar arm bergt vellen vol Goedharts. Ze heeft ze gevonden tot 1511 aan toe. En alle Goedharts die ze vandaag tegenkomt in dooplijsten, huwelijksakten of begrafenisregisters, zet ze vanavond in de computer. Van haar kinderen en haar man kreeg ze op moederdag het programma Haza-data. Ze hoeft alleen de namen maar in te voeren, met de jaartallen, en de computer maakt er een stamboom van. “Ik heb in geen weken meer een boek in handen gehad, ik lees alleen nog maar de printjes die ik van de stamboom maak.”

In geschiedenis is ze nooit geïnteresseerd geweest. “Totaal niet. Op school, een verschrikking. Ik heb er nooit een hoger cijfer op gehad dan een vier. Hoe kan het lopen, hè?”

Als ze de hele stamboom rondheeft, zegt mevrouw Heineman, gaat ze kijken wat ze verder over hen kan vinden. Het wordt pas echt leuk als ze met justitie in aanraking zijn gekomen, heeft ze van een archivaris gehoord, vandaar dat ze laatst vast in de gerechtsdossiers was gaan snuffelen. Ze kwam er een overgrootvader van haar man tegen. “Die was in de vorige eeuw veroordeeld tot twee gulden boete of twee dagen gevangenisstraf. Toen ik 's avonds thuiskwam zei ik tegen mijn man: je stamt van criminelen af. Zoiets is leuk, hè.”

“Ze willen vlees op de botten”, zegt Plantinga. Gegevens die van een naam een mens maken. De historische vragen die hij krijgt, zijn tegenwoordig “zeer betrokken op de mens zelf”. Wat deed opa in de oorlog? Wie was mijn vader? “De laatste jaren hebben we steeds meer te maken gekregen met voor de onderzoeker emotioneel gewichtige vragen.”

Het moet volgens hem iets te maken hem met de behoefte aan houvast in verwarrende tijden. Wat is mijn plaats in deze samenleving? Lokale amateur-historische verenigingen bloeien. Populair-historische series als Ach lieve tijd bloeien op. “De eerste historici op Internet waren genealogen.”

Maar de kans dat haar achter-achterkleindochter nog veel vlees zal vinden op de botten van haar betovergrootmoeder is gering. Niet omdat mevrouw Heineman, zo op het oog een oppassende burger, nooit met justitie in aanraking zou kunnen komen, maar omdat van de archieven van alle rechtbanken in Nederland slechts één per provincie wordt bewaard bij wijze van voorbeeld. “Ik zou alles willen bewaren”, zegt Ketelaar. “Maar de samenleving moet de prijs betalen voor deze hobby. Dat is een afweging voor de politici. Ergens zul je de grens moeten trekken.”