De Pravda

Het artikel over de ondergang van de Pravda (1 augustus), bevat een steeds weerkerende onjuistheid. De Pravda begon op 5 mei 1912 als een legaal blad te verschijnen.

Die dag was in de communistische feestkalender de dag van de pers, de eredag die telkenjare sedert 1917 gevierd, als ideologische wapenschouw. De tsaristische censuur en politie volgden het blad met argusogen. Toen de Pravda aan de vooravond van de mobilisatie in 1914 definitief werd verboden, was de krant in totaal acht maal verdwenen (om onder een andere naam weer op te duiken) en had de politie zich met een tweehonderd nummers bemoeid. Dat leidde tot geldboetes, maar vaker tot gevangenisstraffen, veelal voor zogenaamde zitredacteuren, journalistieke stromannen, om de eigenlijke redacteuren ongrijpbaar te maken.

In 1917, na de revolutie, keerde de Pravda dan als officieel orgaan onmiddellijk terug, waarmee de hoeksteen van de overwinning van het regime, om met Stalin te spreken, definitief werd ingemetseld. Toen konden de Kremlinologen op hun beurt de krant met argusogen gaan volgen.