Comédienne Sylvia de Leur: Het lachen heeft me bijna vernietigd

Wat geloven we, wie vrezen we, en waarom beminnen we? Frénk van der Linden spreekt met mensen die door overtuiging of ervaring een bijzonder inzicht hebben in geloof, dood of liefde. Actrice Sylvia de Leur over haar trauma's, haar transformatie tot mystica en haar 'verdrongen' Pools-Tsjechische jeugd: 'Ik werd een kindsterretje, gevierd door het Rode Leger - dat succes heb ik nooit meer geëvenaard.'

Ik ben de eerste die het woord neuken op het toneel heeft gebruikt. Bij het Lurelei-cabaret moest ik een tekst van Guus Vleugel uitspreken over het boek Ik Jan Cremer, en daar zat het in. Begin jaren zestig was het nog pornografie, ik zag er huizenhoog tegenop. 'Doe'k niet, jongens', zei ik tegen Eric Herfst en Guus Vleugel. Die twee boetseerden me er toch naartoe: neuken, neuken!

Ik werd bekend als flapuit, komisch dikkerdje, gekke meid. Sylvia was net die operette van Léhar: Het vrolijke vrouwtje van Windsor. Ja, met Sylvia kon je lachen! Dat imago kwam als geroepen. Ik besefte het toen niet, maar het was een overlevingsmiddel. De lach beschermt. Mensen gaan niet gauw zitten krabben aan de lach om te zien wat erachter schuilt. Mijn vader had gezegd: 'Straks, in Nederland, houd je om te beginnen je lippen op elkaar. Duits, Tsjechisch, Russisch: dat spreek je nooit meer. En je vergeet wat we hebben meegemaakt. Het is gewoon niet gebeurd. Vrolijk zijn, meisje.'

Je bescherming kan je harnas worden. Hahaha, tralala. Dertig jaar geleden eiste Nederland dat ook van je. Het maatschappelijk klimaat was hard, cynisch. De seksuele revolutie bracht alleen maar vrijheid-blijheid. Van jaloezie of onzekerheid hadden 'verstandige' mensen geen last. Iedereen was fantastisch laconiek. Wonden? Toedekken, afbinden en vergeten. Dat gedrag paste mij als een maatpak. Heel lang leek het perfect te zitten. Tot laatst, tot ik in elkaar klapte en mijn hart begon te spreken. Wat ben ik blij dat dat tegenwoordig mág, praten over je emoties. Ik was bang dat ik zou stikken. Het lachen heeft me bijna vernietigd.

Mijn moeder vond dat ik haar leven verwoestte. Die baby was een vloek. Door mijn geboorte raakte ze alles kwijt: haar figuur, haar bestaan als prima- ballerina, haar toekomst. Mijn vader wilde in ieder geval één kind uit zijn huwelijk. Hij was een Nederlandse violist, halfjood, afkomstig uit een familie van muzikanten. Tijdens een orkesttournee door zuidwest-Polen, 1928, zag hij in de opera van Breslau een schitterende vrouw dansen. Op haar veertiende had mijn moeder al de meesterschapstitel gehaald. Aantrekkelijk, slim, geestig, atletisch: een wonderkind, en wonderkinderen zijn rampen. Egocentrisch als de pest. Ze weigerde mij borstvoeding te geven. Ik werd tot mijn achtste geparkeerd bij haar ouders, die in Breslau een Konditorei annex bar annex dancing runden. Opa en oma propten me dagelijks vol met een papje van meel, roomboter en suiker. Een bizarre opvoeding, lief en stoïcijns. Als ik kattekwaad uithaalde, pakte mijn grootmoeder een zweep met een knoop aan het eind. Daarmee werd ik door het huis geslagen. Billen, armen en benen: blauw.

Nadat Hitler was begonnen Europa op te slokken, dook mijn vader onder in de bakkerij. Hij sliep in de oven. Tegen het eind van de oorlog, midden in de SS-razzia's en de chaos - van de ene kant kwamen de Engelsen, van de andere kant de nazi's, links de Russen, rechts de yankees - sloegen we op de vlucht. Een tafereel uit een stuk van Brecht. Allerlei artiesten stapten in de laatste trein richting... tja, richting ergens. Jongleurs, acrobaten, accordeonisten, zangers, goochelaars, het was een wild gezelschap. Vlak voor Dresden kwam onze wagon tot stilstand in een tunnel. Het voorste deel van de trein stak eruit. Wham, plotseling vloog dat de lucht in. We waren het geallieerde bombardement op de stad binnengereden. Ontploffingen, rook, stof, het licht ging uit. Geschreeuw, hysterie. Het duurde en duurde. Ik had zo'n waanzinnige dorst dat ik een fles levertraan leegdronk. Maar we kwamen er levend uit.

Via via belandde onze hele variété-club bij bevriende musici in Erfurt. 'Hier heb je rantsoenbonnen', zei mijn vader op een dag. 'Brood halen. En kijk uit voor bommen.' Ik was elf, wist niet eens wat bommen waren. Onderweg hoorde ik sirenes loeien - luchtalarm. Vliegtuigen lieten trosjes vreemde dingen los. Ze hadden iets weg van enorme rugby-ballen. Goh, wat knalde en dreunde het raar. Wat stonk het verschrikkelijk. En wat een vuur. Ik ging op mijn buik liggen, vond het een avontuur, was absoluut niet bang. Het enige dat me angstig maakte was het vooruitzicht dat mijn ouders kwaad zouden zijn: mijn jurk zat onder de overgewaaide as, en ik zou zonder brood thuiskomen, want overal zag je gebouwen branden en instorten.

We trokken verder met de groep. Een week of meer in een trein naar het Tsjechische kuuroord Karlsbad, inmiddels Karlovy Vary. Ik herinner me vrieskou, metershoge sneeuw. 'Nicht gucken!', riep mijn moeder. Dus keek ik. Uit een andere coupé kwam een pop gevlogen, een groenblauwe pop. En nog één, en nog één. Het waren dode baby's. In die horrortrein werd bevallen en gestorven. Mensen waren bevreesd dat de pest zou uitbreken, alles wat een besmettingshaard kon vormen moest overboord. Er zijn nachten dat ik de moeders nog hoor krijsen.

We staken de Duits-Tsjechische grens over, reisden door Sudetenland, en bereikten Karlsbad. Skupin, een acrobaat die zich had opgeworpen als onze leider, klopte aan bij een Rode Kruis-lazaret: of we in dat ziekenhuisje konden werken. Nou, vooruit. De één goochelde voor de geamputeerde armen en benen, de ander jongleerde voor de afdeling schotwonden. Dat was dan het plaatsje waar mensen zo graag heen gingen om te genezen in zout bronwater - veranderd in een frontstad! Mijn ouders stonden er te spelen tussen verminkte soldaten, mensen die hun laatste adem uitbliezen. Mein Gott, ik moet in enen denken aan een boek dat mijn vader ooit voor mijn moeder heeft gekocht: Lach clown, lach. Dat was hun leidraad, hun wijsheid. En ze gaven het aan mij door: zó moet je je door het leven slaan.

Ik stopte sokken en schilde aardappels, driehoog in het artiestenpension waar we woonden. Ik weet het adres nog: Onrseska Ulice 20. De Amerikanen zullen ons vanzelf verlossen, dachten we. En daar kwamen ze, hoihoihoi: hun jeeps en tanks denderden door Karlsbad. Ze stopten alleen niet, ze reden verder. Er was blijkbaar een afspraak dat niet zij, maar de Russen Tsjechië zouden bevrijden. De troepen van het Rode Leger kregen drie dagen plundertijd van de generaals, maar ze maakten er zes weken van. Stelen, schieten, verkrachten: overal klonk gebrul en gejank. De kozakkensoldaten, kleine Mongolen, sleepten zelfs meisjes uit de huizen. Het was óf Davajte tsjasyi, óf Davajte pani. 'Geef je horloge', 'Geef je vrouw': die woorden zitten als tatoeages in mijn hersens. Bij ons in de tuin werd een flink gat gegraven, een soort hut voor alles wat vrouwelijk was. Wij met dekens, water en kaarsjes onder die vlonder, mijn vader en zijn maten er bovenop - kletsend en kaartspelend tot er een eind kwam aan de ellende.

Hotel Pupp was het hoofdkwartier van het Rode Leger. In de zomer van '45 begonnen we daar in ruil voor zuurkoolsoep, borsjt en gortballen uit de gaarkeuken voorstellingen te geven. Met gemengde gevoelens: we stonden voortdurend tegenover figuren die veel van onze vrienden, Sudetenduitsers, lieten afvoeren naar kampen. 'Syl', zeiden mijn ouders, 'als je meer wilt eten, zul je ook op de planken moeten.' Dat had ik eerder gedaan. Op mijn vijfde stond ik al op de spitzen. Voor deze gelegenheid zocht mijn vader het Menuet van Boccherini uit. De kapitanski, hoge Russische militairen, vonden dat dansende meisje vertederend. Na afloop trok een officier me op schoot. Zijn borst hing vol medailles. Chroesjtsjov was de naam, Nikita Chroesjtsjov. 'Tast toe', zei hij. Maar dat gebraden speenvarken vond ik te zielig om aan te raken. En kaviaar: brrr, nee, dat moest je spoelen met wodka.

In die tijd loste ik een puzzeltje op. Ik zag mijn moeder drinken, drinken, drinken. Tot bewusteloosheid aan toe. Aha, waarom had zij in Breslau óók regelmatig van oma met de zweep gekregen? Waarom zeiden haar ouders: 'Das läuft noch mal ganz slecht ab mit deiner Mutti?' Omdat ze alcoholiste was. Steeds vaker moest ik haar met mijn vader de trap van het pension opslepen. Ze was suïcidaal; meermalen moest ik haar bij het raam vandaan halen. Een kind wordt door zulke toestanden vijftien jaar ouder. Op den duur was ik mijn moeders moeder.

Tegelijkertijd werden we rivalen. Eerst traden we samen op, maar ik wilde mijn eigen act. De grote Sylvia achtte zich Bühnenreif. Stronteigenwijs. Acrobatiek, altsaxofoon, rolletjes in Russische films... het lukte nog ook. Ik werd een kindsterretje, gevierd door het Rode Leger - dat succes heb ik nooit meer geëvenaard. Mijn moeder zag het machteloos aan. Enerzijds was ik een beschermengel, anderzijds besefte ze dat ik haar positie bedreigde. 'Du bist ja ein Paradox...', riep ze dikwijls. Geestelijk lag ze aan diggelen, lichamelijk kon ze niet stuk. Ze zoop tot vlak voor haar dood. Die kwam pas een jaar of vijf geleden, op haar 84ste, hier in Amsterdam. Ik moet haar nageven dat ze een geweldig gevoel voor zelfspot had. Knipogend naar haar balletcarrière zei ze: 'Mijn leven begon aan de barre, en het eindigt aan de bar.'

Als het je te veel wordt moet je je mond open doen hoor. Dan vertel ik wel een grap.

Mijn vader kwam met een onbegrijpelijk verhaal over een ijzeren gordijn. Nederland lag aan de andere kant. Het was eind jaren veertig, alle buitenlanders moesten Tsjechoslowakije verlaten. Wij vertrokken richting Bussum, daar zat familie. Voor de eerste keer voelde ik me trillerig: ik werd een emigrant. Kop dicht, diploma's halen! Ik leerde voor schoonheidsspecialiste en kreeg een baan bij Maison de Beauté, in de Leidsestraat. De ene avond zat ik in het De la Mar-theater te kijken naar het ensemble-Wim Sonneveld. De andere avond ging ik naar de schouwburg voor Ank van der Moer of Ko van Dijk. Ik was een spons, zoog alles op: de taal, de motoriek. Na een ontmoeting met Kees Manders vond ik mijn weg in het cabaret. Daar gaan we het nu niet over hebben, oninteressant.

Het toneelvak is: professionaliteit, timing en techniek. Op het ogenblik verdiep ik me juist in het tegenovergestelde. Ik ben mystica geworden. Ik lees oosterse boeken als De Tao van de Wijsheid en de I Tjing. Ze leiden me weg van dat kille beroep, die kille mensen. Ze brengen je naar je wortels. Het zijn manieren om jezelf te onderzoeken en te leren kennen. Wij westerlingen hebben de neiging te veel te rationaliseren. Slaven van het brein. Ik kom nu op voor mijn ziel. Dat is een bevrijding.

Het klinkt clichématig, maar er zijn collega's die me lang niet hebben gezien, en die roepen: 'Je bent een ander mens geworden. Zo sereen.' Eigenlijk is het jammer dat ik niet veel vroeger aan deze ontwikkeling ben toegekomen. Alsof er niet genoeg is voorgevallen om mijn ogen te openen.

Marino was zijn tijd ver vooruit. En dat is niet het bekende trotse moedersgelul. Anderen vonden het ook: een stout maar hyperintelligent kereltje. Hij had een drive om films te maken, schreef scripts, zocht naar locaties. We kochten een camera, lenzen en een monteerset voor hem. Daarmee maakte hij bijvoorbeeld een reportage over de autoloze zondag. Moet je nagaan: een jochie van twaalf-en-een-half. Weet je wat zijn bijnaam was? Dodo. Veel later kwam ik pas tot de ontdekking dat je maar twee letters om hoeft te draaien en je krijgt dat rotwoord.

Eenentwintig jaar geleden ging Rooie Sien van Frans Weisz in première. Het City-theater was afgeladen. Ik weet nog dat ik me in de zaal omdraaide naar Marino, boven in de loge. Om de een of andere reden wilde ik goed in me opnemen hoe dat pubertje eruit zag. Hij droeg een wit spijkerpak, had lang blond haar, en hij straalde. Ik was zó blij met hem, hij was zo verdomde mooi - echt een jonge god.

Het was op een kruispunt in de buurt van school, de volgende middag. Nee, nee, luister, ik wil het vertellen. Ik had mijn jongere dochtertje opgehaald met de Mini; Marino zou op de fiets naar fluitles gaan. Hij rijdt vlak voor me. Het stoplicht springt op rood, hij wacht met twee vriendjes half naast, half vóór een gemeentevrachtwagen. Daarachter een andere auto, dan ik. Groen! Die truck slaat rechtsaf, Marino wil rechtdoor. Ik kijk op en zie hem rond die grote achterwielen tollen. Tien meter, twintig meter. Dat haalt-ie nooit, dacht ik alleen maar. Hij lag op straat met zijn houtje-touwtje jas, dat koppie in een groene capuchon. Er golfde bloed uit. Je blèrt, je scheldt de chauffeur verrot, de stoppen slaan door. Ik herinner me een lange gang naar de operatiekamer, een brancard, een slangetje in de neus van Marino. Goed in je opnemen, Syl, zei ik in mezelf. Je zal 'm niet meer zien. Een verpleger trok aan mijn broek, ontblootte een bil, en gaf me tegen mijn zin een kalmerende injectie. Mensen zijn cru.

Geloof het of niet, maar ik heb in het kwartier op die kruising een ander lichaam gekregen. De alchemie van je gestel wijzigt. Mijn huid, mijn haar, mijn stem - direct na het ongeluk begon er een metamorfose. Mijn borsten werden verschrikkelijk groot, en binnen een maand voelde ik knobbels. In het Van Leeuwenhoek-ziekenhuis stelden ze gelukkig vast dat het goedaardig was. Als een kind sterft, vertoont de moeder soms zwangerschapachtige verschijnselen. Mastitis, heet dat. Die gezwellen van mij waren opspelende melkklieren. Fysiek wil je die zoon weer naar je toe trekken.

Het mankeerde toentertijd aan psychische begeleiding. Een jaar eerder was mijn vader overleden, en we hadden Marino nog niet begraven of mijn hartsvriend Rob Touber stierf. Het werd een beetje veel. Mijn echtgenoot was arts, maar dat we het beste een therapeut konden opzoeken... geen flauw benul. Zonder dat je het beseft, mis je dan ook een geloof. Je hebt behoefte aan rituelen, aan speciale momenten, aan gebaren. De rouw moet een vorm krijgen. Er waren wel vrienden, maar de helft wist zich geen houding te geven. Je wordt genegeerd; sommigen bekijken je niet meer. Ik heb lopen bedelen om een hallootje. Ik had ze in elkaar moeten rammen. Enfin, het is het bekende verhaal: mensen weten geen raad met emoties.

Ook mijn man kon het verdriet niet delen. Hij zei niets, hij vroeg niets. Ik praatte tegen een muur. En ik was blijkbaar niet fijngevoelig genoeg om daar wat aan te doen. Ik had weinig tact. Ons huwelijk was al slecht: jaloezie vanwege mijn bekendheid, over en weer buitenechtelijke relaties, wantrouwen, eeuwig ruzie. De dood van Marino heeft onze scheiding niet veroorzaakt maar versneld. Ik stapte op, en ik raakte in feite mijn tweede kind kwijt. Dat meisje wilde liever bij pappa blijven. In de loop der jaren hebben we een uitstekende band gekregen, maar in eerste instantie leek ik Robinson Crusoë wel: aangespoeld op een eiland, door iedereen verlaten. Ach god! Zielige Syl!

Hoe kun je zoveel klappen oplopen en toch het boeltje in jezelf op slot houden? Hoe komt het dat dat deksel er niet vanaf springt? Hoe krijg je dat voor elkaar? Daarvoor moet ik toch bij mezelf zijn. Ik wilde mijn verleden onder geen voorwaarde herbeleven; ik verdrong het. Dat was niet zo moeilijk. Ik kreeg geen cent van mijn ex, betaalde negenhonderd gulden per maand voor een flatje in Duivendrecht, en moest dus werken. Werken was weg-werken: dingen op een afstand houden.

Tegen mijn zestigste werd ik langzaam maar zeker depressief. Eerst zeg je dan tegen jezelf: 'Doorgaan, je hebt het een halve eeuw klaargespeeld, dit kan er ook nog wel bij'. Lach clown, lach. Ik ging veel naar recepties, partijtjes, vernissages. Wist mezelf prima te verkopen. Nu mogen ze het wel weten: ik acteerde - en beter dan ooit. Helaas alleen bij díe gelegenheden, want als je de programma's terugziet waarin ik toen opdraafde... gruwelijk. Deze zomer wordt Vreemde praktijken op de televisie herhaald. Ik geneer me als ik naar mijn spel kijk. Ik kon niet eens denken, laat staan presteren. Ik vergat teksten, ik wist niet waar ik stond. Een wassen pop.

Mijn moeder stierf in een verzorgingstehuis, 1991. Ik kwam op het idee in het theater een monoloog op te voeren over onze haatliefde-verhouding. Ik schakelde ik-weet-niet-wie in, studeerde me suf, bekvechtte met tekstschrijvers, maakte opnames, maar ik kreeg het niet rond. Weet je wat, dacht ik, dan ga ik Beckett doen. Een mooi stuk, een diep stuk: Gelukkige dagen. Een producer viel er wel voor te porren, maar de Nederlandse schouwburgdirecteuren lagen dwars. Zeventig procent vond dat ik me niet met dit soort toneel moest inlaten. Toen - januari dit jaar - viel eindelijk het muntje bij Sylvia.

Ik heb mezelf lang een fout mens gevoeld. Een onwelkom kind, een halfbakken echtgenote, een tekortschietende moeder, een gebrekkig actrice. Dat je bijna bejaard moet zijn om je te realiseren dat het best meevalt, dat je helemaal geen oppervlakkige trut bent! Laat mensen alsjeblieft ophouden met makkelijk oordelen. Ik was onlangs in Griekenland, voor vakantie. Een groepsreis. Disastrous. 'Heerlijk om u erbij te hebben', zeiden die mensen. 'Aan u kunnen we een voorbeeld nemen: het leven is een feest'. Zo gaat het overal. In cafés, op straat, stations... om duizelig van te worden.

Ik voer al een tijdje niets uit. Ik heb alles afgezegd, neem geen opdrachten aan. In het begin schaamde ik me voor die houding, maar dat is een gepasseerd station. Ik wil niks meer, ik doe mijn best niet meer, ik vecht niet meer, ik zie vrijwel niemand meer. Ik kies voor de rust, voor wie ik nu ben. Mijn enige houvast is alles loslaten.

De Russische militairen, vonden dat dansende meisje vertederend. Na afloop trok een officier me op schoot. Zijn borst hing vol medailles. Chroesjtsjov was de naam, Nikita Chroesjtsjov.

Wij westerlingen zijn slaven van het brein. Ik kom nu op voor mijn ziel. Dat is een bevrijding.

Ik heb mezelf lang een fout mens gevoeld. Een onwelkom kind, een halfbakken echtgenote, een tekortschietende moeder, een gebrekkig actrice.

Ik moet ineens denken aan een boek dat mijn vader ooit voor mijn moeder kocht: Lach clown, lach. Dat was hun leidraad. En ze gaven het aan mij door: zó moet je je door het leven slaan.