Bestuurshervorming op de universiteit

Na de troebelen van mei 1968 in Parijs kwamen ook de studenten aan de Nederlandse hogescholen en universiteiten in actie en de geschrokken autoriteiten reageerden, naar Nederlandse begrippen, heel snel. Op 9 december 1970 stond de Wet universitaire bestuurshervorming (WUB) in het Staatsblad.

De toenmalige minister van Onderwijs, G.H. Veringa, was de constesterende studenten tegemoet gekomen met een Universiteitsraad en een Faculteitsraad waarin de roep om democratisering concreet gestalte had gekregen.

Begin september, een kwart eeuw later, zal de Tweede Kamer plenair debatteren over een nieuw wetsvoorstel, de Modernisering van de universitaire bestuursorganisatie (MUB). Het is de bedoeling dat de wet ingaat per 1 september 1997. Indiener van het wetsvoorstel is minister Ritzen.

De belangrijkste euvelen van de bestaande organisatie betreffen volgens hem de verwarring van bestuur en beheer en de bevoegdheden van de verschillende raden waarvan de geledingen, zoals het personeel en de studenten, zich niet of nauwelijks hoeven te verantwoorden voor hun beslissingen. Zij zouden bij een volgende verkiezing niet herkozen kunnen worden, maar daarmee houdt het wel zo'n beetje op.

In 1970 heeft Ritzen zelf nog als student gedemonstreerd voor de democratisering van de universiteit.

Hij zei daarover in een vraaggesprek met deze krant op 2 september 1995: “De geschrokken regenten gaven ons precies wat we eisten, maar dat was natuurlijk niet de bedoeling. Die overreactie was heel verwarrend.”

De nieuwe MUB onderscheidt zich van de WUB onder andere op de volgende punten: Het medebestuur van de universitaire geledingen (personeel en studenten) in Universiteitsraad en Faculteitsraad wordt afgeschaft. Daarvoor in de plaats komen vormen van medezeggenschap, inspraak en instemmingsrechten. Boven het College van Bestuur komt een Raad van Toezicht. De universiteit komt verder af te staan van de minister en moet aldus meer ruimte krijgen voor eigen beleid en profilering. De vakgroepen verliezen hun wettelijke bevoegdheden, maar ze mogen wel blijven bestaan. De positie van de decaan als hoofd van de faculteit wordt versterkt. Bestuur en beheer op de faculteit komen in één hand. Dat heet 'integraal management'. In paritair samengestelde opleidingscommissies krijgen de studenten medezeggenschap in de opleiding.