Baron of markies

Nog een beetje duizelig van de kamikaze-buitelingen van Willem-Alexander in Atlanta kom ik de volgende zin tegen: het heeft koning Albert behaagd wielrenner Eddy Merckx in de adelstand te verheffen.

Van kannibaal tot baron, dat is nog eens vooruitgang. En toch word ik bij het lezen van het bericht geraakt door enige droefenis. Even is er de aanvechting om de Belgische vorst een briefje te schrijven met de simpele mededeling: wielrenners hebben hun eigen adel, Sire! Waar bemoeit u zich mee? Van koning Albert weet ik het zeker, hij is nog nooit door een zweetdruppel, laat staan door een slijkspatje getroffen; hij kent het verschil niet tussen een kermiskoers en de Ronde van Vlaanderen en vraag hem ook niet hoe vaak Eddy Merckx de Tour de France heeft gewonnen. Van waar dan ineens dat genereuze gebaar om deze eenvoudige wielrenner, op zijn vijftigste, tot de adelstand op te krikken? En waarom geen tuinhuisje voor zijn knechten? Als het hart van een koning groot wordt, moet het groot zijn voor iedereen en zeker voor de anonieme sukkels.

Het koninklijke enthousiasme voor de sport en haar beoefeneaars begint ernstige vormen aan te nemen. Koningshuis en volk verbonden in een wave of in een high five, het swingt als een noodverband. Nu de politiek niet meer tot de massa leidt, dan maar de sport - zou dat het zijn? Met andere woorden: het gebaar naar Merckx als gemekker om mededogen? Van de ene op de andere dag uit een wielrenner een baron boetseren, het blijft verdachte camaraderie.

Door de eeuwen heen zijn er koningen en prinsessen geweest die van een potje tafeltennis hielden, graag achter een hockeystick of golfbal aanholden, ja zelfs gek van motorraces waren. Daar is niets mis mee. Nieuw is de ambulante manifestatiezucht van hovelingen voor, tijdens en na een wedstrijd. Het lijkt wel of er sponsorbelangen op het spel staan. Van de lijfelijke identificatielust voor Anky van Grunsven begrijp ik alles, maar om nou in de vezuurde oksels van volleyballers te gaan hangen - nee toch?

Een baron in het peloton, een beetje koning van het volk had kunnen weten dat dit niet kan. Aan een illuster rennersleven valt niets toe te voegen. Zeker geen adellijke titel. Daarmee neem je de legende van een kampioen weg, sluit je zijn verleden af. Terwijl hij juist wereldkampioen voor het leven was, mede namens het volk. Merckx hoort als kannibaal te sterven, Bahamontes als adelaar, Indurain als El Rey, Zoetemelk als Jopie en Poulidor als Poupou. Stel je voor dat Joop alsnog moet worden aangesproken met burggraaf Zoetemelk. Niets van zijn schoonheid zou nog standhouden. Uit zijn wezen zou het diepste zijn weggesneden. Dan pas zou hij als een scheve scherf op de fiets zitten, op weg naar de bakker. Of Jerommeke Blijlevens die na dertig etappezeges in de Tour wordt gekroond tot markies van Hoogstraten, dan huilen toch alle moeders van het land. Dat koningen dat niet aanvoelen, wat een wereldvreemde stoethaspels zijn het toch.

Een lintje voor Merckx, Bovelander of Zwerver, alla. Maar veel verder moet de koninklijke inmenging in het leven van topsporters niet gaan. Uiteindelijk zitten er in elke regering reeds genoeg paljassen die zo graag met oranje-boodschapjes aan komen schurken tegen de glorieuze momenten van een topsporter. Koningshuizen hebben gezanten zat als er onder het volk iets te vieren valt. Het bataljon liberalen dat het Holland House in Atlanta avond na avond zo onveilig maakte was niet bepaald van een representatieve finesse, maar zelfs in de diepste krochten van de stad weten ze nu dat Nederland uit drie landen bestaat: hup Holland hup. Die boodschap is overgekomen.

Koningen en hun omgeving hebben het zeldzame geluk dat ze anderen met afstandsbediening kunnen ontroeren. Juist als je ze niet ziet of hoort, is het goed dat ze er zijn. Dat gevoel. Een subtiele aanwezigheidspolitiek kan ook nog. Er zou in Nederland best een Prinses Juliana-stadion mogen komen. Het zou alvast hartelijker klinken dan Arena. En het zou de illusie wat hoger kunnen houden dat stadions er primair zijn voor de echte liefhebbers, niet voor parvenu's en gefortuneerde eenzamen die relaties alleen tot kunst of business kunnen verheffen. In dat stadion wil ik graag een sherry'tje drinken. In de Arena alleen Spa.