Amerika in waterverf gevangen

Tentoonstelling: The Great American Watercolour. Amerikaanse aquarellen 1860-1940. T/m 27 okt. Rijksprentenkabinet, Stadhouderskade 42, Amsterdam. Dag 10-17u. Catalogus ƒ 35,-

Een aquarel ziet er al snel aardig uit: je mengt pigment met vloeistof en in een oogwenk ontstaan de meest krankzinnige patronen. In die patronen is het makkelijk wolken te herkennen, eindeloze grasvlakten of schemerige contouren van bergen, afhankelijk van de kleur die je gebruikt. Aquarelleren, zo weet ik uit ervaring, biedt de meest talentloze hobbyist soelaas.

Het is om die reden dat het aquarelleren als techniek binnen de schilderkunst altijd laag gewaardeerd is. Het was, en is nog steeds, vooral de bezigheid van dames en heren, die hun vrije uren spenderen met waterverfdoos en penseel.

Toch, wie de moffel- en verdwijntrucs van aquarelverf niet voor lief neemt, weet dat aquarelleren een van de moeilijkste technieken in de beeldende kunst is. De watervlugge verf laat zich moeilijk vangen in omlijnde vormen, en fouten overschilderen, zoals bij olieverf, is onmogelijk.

In het Rijksprentenkabinet is vanaf vandaag voor het publiek een selectie te zien van kwetsbare waterverfbladen uit de collectie van het Museum of Fine Arts in Boston. Het museum, dat meer dan tweeduizend, zelden tentoongestelde aquarellen bezit, koos samen met Peter Schatborn, hoofd van het Prentenkabinet van het Rijksmuseum, vijftig bladen uit die op een kleine tournee door Europa gaan. In ruil voor het bruikleen stelt het Rijksprentenkabinet voor het Bostonse museum in de toekomst een tentoonstelling met aquarellen uit de periode van Van Gogh tot Mondriaan samen.

De gekozen aquarellen zijn afkomstig uit de periode tussen 1880 en 1940. Dat is niet verwonderlijk, want dat is de tijd waarin de eerste professionele aquarel-verenigingen werden opgericht en het aquarel 'emancipeerde' van lieflijk fröbelwerk tot zelfstandige kunstvorm. De Engelsman William Turner, die al in het begin van de negentiende eeuw tal van prachtige waterverfstudies maakte, heeft een onschatbare invloed gehad op deze ontwikkeling. Veel Amerikanen trokken een eeuw later nog naar Europa om Turners technieken te bestuderen.

Winslow Homer (1836-1910) was een van hen. Van Homer zijn dertien aquarellen in de tentoonstelling opgenomen. Zijn werk vormt, samen met dat van zijn twintigste-eeuwse landgenoot Edward Hopper, het hoogtepunt van de expositie.

Homer vult niet alleen vlakken met kleur in, zo blijkt. Nee, hij schrapt, krast, tekent en schildert. Kortom, hij doet wat iedere schilder met olieverf doet.

Wil Homer het spiegelende watervlak van een meer in de diepte van een dal weergeven, dan schuurt hij de waterverf van het papier af om een prachtig oplichtend effect te krijgen. De kromming in een hengel van een visser op het Adirondack Lake is een priegelig lijntje, maar oh zo scherp op papier gezet. En een muur van een huis in Cuba krijgt z'n zondoorstoofde uiterlijk door de aquarelverf onverdund op grof papier te schilderen.

Homer beheerste het medium tot in z'n vingertoppen. Kleuren zijn bij hem van een adembenemende schoonheid, zoals de Sponsduiker laat zien, een blad dat vlak voor de eeuwwisseling bij de Bahama's ontstond. Na Homers reis naar Engeland in 1881 en 1882 veranderden zijn aquarellen, ze werden monumentaler van vorm. Pas op duizenden kilometers afstand van zijn vaderland, zo lijkt het, durfde hij zich met volle overgave te wijden aan de laagste van alle kunstvormen.

Bij Edward Hopper (1882-1967) was het net omgekeerd. Hij bezocht in 1906 Europa, zag hier de aquarellen van Cézanne en andere avantgardisten, maar vond er eigenlijk maar weinig aan. Zo weinig dat hij terug in Amerika besloot te vergeten wat hij in Frankrijk had gezien. Het Amerikaanse (stads)landschap waar voor mensen nauwelijks plaats was, werd zijn muze. Hij legde dat onvergetelijk vast, zoals blijkt uit zijn House of the Fog Horn uit 1927 of De eerste bocht van de White River in Vermont uit 1938. Het eerste blad is kristalhelder geschilderd, met langgerekte, namiddagse schaduwen die het wit van het misthoorn-huisje streng afgrenzen van het gele helmgras dat langs de kust groeit. Het is een blad dat wat sfeer betreft doet denken aan de desolate olieverven Nighthawks en de Hotel Lobby. Water- of olieverf, dat maakte voor Hopper niets meer uit.