Als Amerika on line gaat, verschijnt steeds vaker 'waiting for reply'; Ook op Internet groeien de files

Het gebruik van het wereldwijde computersysteem Internet verdubbelt nu in minder dan negen maanden. Helaas nemen daardoor wachttijden en vertragingen dermate toe dat het Internet gelijkenis gaat vertonen met Internot. Tot wanhoop van idealisten lijkt alleen verdere commercialisering van het Internet uitkomst te bieden. Dan wordt er tenminste betaald naar gelang het gebruik, komen er meer gespecialiseerde diensten voor bepaalde groepen, en zal er meer in het Internet worden geïnvesteerd.

Zoals gefrustreerde forenzen tijdens de spitsuren, verzeilen gebruikers van het Internet steeds vaker in files en opstoppingen zodra ze zijn 'ingelogd' op wat wel de grootste uitvinding wordt genoemd sinds Gutenberg het boekdrukken bedacht. Dit capaciteitsprobleem dat in Europa vooral de kop opsteekt vanaf het lunchuur, als Amerika ontwaakt en 'on line' gaat, geeft wanhopige 'inter-nauten' die glazig naar de schermaanduiding 'waiting for reply' staren, langzaamaan de impressie dat ze zijn aangesloten op Internot.

“'s Ochtends vroeg heb je nog geen problemen en blijft 'internetten' een kwestie van seconden”, vertelt Anne Breimer van IBM-Nederland. “Daarna wordt het minder en 's middags is het nu vaak een minutenkwestie of zelfs helemaal niets.” Algemeen directeur Ruud Veltenaar van Planet Internet, met zo'n 46.000 abonnees Nederlands grootste aanbieder van Internetdiensten, bevestigt de groeiende vertragingen. “Natuurlijk scheelt het met welke aanbieder je in zee gaat maar in het algemeen is het juist: de snelheid neemt af door de grote toevloed van mensen die het Internet steeds intensiever gaan gebruiken.”

En dan te bedenken dat er nu wereldwijd 'pas' enkele tientallen miljoenen Internetgebruikers zijn en dat het er volgens gangbare prognoses in 2000 enkele honderden miljoenen zullen worden. Toch behoudt Veltenaar goede moed: “Het probleem zal de komende maanden nog verergeren maar in de loop van het volgend jaar brengt PTT Telecom verlichting met nieuwe infrastructuur. Al blijft het aantal consumenten ook stormachtig groeien.”

Vanuit een pand aan de Amsterdams Lijnbaansgracht, waar 'ComputerInfo'-uitgever Luc Sala tevens het eerste hoofdstedelijke Internet Café uitbaat, weerklinken dezer dagen ook minder euforische geluiden. Van de tien oorspronkelijke Internet p.c.'s heeft Sala er nog maar vijf in bedrijf en dan alleen nog maar donderdags. Ook bij hem is vertraging een voorname spelbederver, zij het niet de enige. “Veel mensen die hier komen, willen graag op mijn kosten leren Internetten of halen voor een paar piek een e-mailtje op”, sneert Sala. “Een echt sociale club wordt het zo nooit. Computerfreaks zijn sowieso niet erg sociaal. En je kunt er niet van leven. Of je moet er hasj bij verkopen.”

Een bijkomende complicatie is dat het Internet zich buiten Noord-Amerika een weg moet banen door een bont en inefficiënt lapwerk van nationale telefoonnetwerken. Die beschikken intern wel over forse capaciteit maar hun vermogen om massale hoeveelheden data onderling uit te wisselen is soms griezelig beperkt. “Zwitserland heeft slechts twee T1-lijnen die het hele land met het Internet verbinden en Singapore zelfs maar één”, aldus directeur Jonathan Negroponte van het befaamde Media Lab in Boston. “In de VS zijn er middelgrote bedrijven die een T1-lijn voor zichzelf hebben.”

Hoewel er in Europa hard wordt gewerkt aan capaciteitsuitbreiding en de deregulering van de telecommarkten in 1998 zeker zal helpen, blijven de problemen vooralsnog groot. David Tabizel, hoofd van de Amerikaanse researchgroep Durlacher Multimedia: “De Internetconnecties tussen Europese landen verlopen zo moeizaam dat veel intra-Europees verkeer via de VS loopt. Alsof je het vliegverkeer in de wereld via de New Yorkse JFK-luchthaven zou laten lopen.”

Overigens wordt ook in de VS, het stamland van het Internet, gewaarschuwd voor een capaciteitscrisis. “Het komende jaar kunnen we meer vertragingen verwachten die honderdduizenden gebruikers uren of misschien wel dagen zullen kosten”, liet Net-goeroe Bob Metcalfe afgelopen april in Infoworld weten. “Het Amerikaanse Internet is een kwetsbaar kaartenhuis geworden.” Het zal overleven, voorspelt hij, “maar met de nodige lidtekens”.

Dat de groeiweeën van het Internet ook steeds meer irritatie in de VS wekken, spreekt uit een recent memo van een groep vooraanstaande geleerden aan de Federal Networking Council in Washington. “Onze studenten en onderzoekers ondervinden het laatste jaar steeds meer problemen op Internet”, aldus het memo. “De verbinding is te traag en hapert vaak minuten ...Het is feitelijk onmogelijk geworden de uitvoering van opdrachten over het Net te volgen en te controleren...En het sturen van beeldmateriaal is vrijwel uitgesloten.”

Niettemin blijft in de boezem van het grote bedrijfsleven dat direct bij de ontwikkeling en uitbating van het Internet is betrokken, optimisme troef. Zo voorspelde vice-president Christian Thommessen van IBM onlangs, tijdens een seminar van het Franse computer-researchinstituut Inria, dat het aantal gebruikers van het Internet zal stijgen van 60 miljoen nu tot 500 miljoen in 2000. Thommessen: “Over vijf jaar is Internet 's werelds grootste, diepste, snelste en veiligste marktplaats.” Uiteraard is dat ook de diepe wens van een bedrijf als Philips dat zojuist in de VS zijn WebTV lanceerde, een kastje dat wordt aangesloten op de televisie en het Internet zo in de huiskamer belooft te brengen.

Andy Grove, topman van 's werelds grootste computerchipproducent Intel, toonde zich vorige maand in het zakenblad Fortune gelijkgestemd. “Het Internet is als een acht meter hoge vloedgolf die eraan komt en wij zitten in kano's”, legde Grove beeldend uit. “Hij komt er vanaf duizenden kilometers over de oceaan aan en wint nog steeds aan kracht. Hij zal ons optillen en weer neergooien...We zijn in de VS, Japan en Europa nog maar een stap verwijderd van het punt waarop elke computer is verbonden met elke andere computer. Dat zal iedereen raken, al zijn sommigen zich daar meer bewust van dan anderen.” Waar Grove eerlijkheidshalve aan toevoegde: “Maar hoe opwindend dat ook mag klinken, er is één groot probleem: capaciteit, voldoende bandbreedte.”

Dat markeert inderdaad de kern van de katterigheid die het Internet dezer dagen aankleeft, alle spectaculaire toekomstperspectieven en panorama's ten spijt. Over de hoofdoorzaak bestaat weinig twijfel: niet alleen het aantal gebruikers van het Internet, en met name van zijn multimedia-afdeling World Wide Web, explodeert, dat geldt evenzeer de omvang van de via Internet verzonden boodschappen. Domineerden ooit relatief eenvoudige tekst-boodschappen, nu is er een stortvloed van bits-vretende en data-intensieve verzendingen. Zoals multimedia, video en bovenal porno dat volgens recent Brits onderzoek tegen de 60 procent van het Web vult.

Volgens schattingen verdubbelt het Internet-dataverkeer zelf nu sneller dan het aantal gebruikers: in de VS elke drie resp. elke negen maanden, en in Nederland zelfs elke twee resp. drie maanden. Al zal het natte-vingergehalte van zulke cijfers aanzienlijk zijn, dan nog is de teneur duidelijk, zoals ook uit andere cijfers blijkt. Zo berekende het Amerikaanse adviesbureau Gartner Group dat er in 1992 in de wereld 95 bedrijven waren die toegang tot Internet boden en toen samen voor 50 miljoen dollar verkochten. Vorig jaar waren dat er 2.500 die toen 550 miljoen dollar omzetten. En de collectieve omzet zou zelfs omhoog schieten tot 10 miljard in 2000.

Behalve een explosie van gebruikers die steeds 'data-intensiever' boodschappen via het Internet verstouwen, is er nóg een verklaring voor de dreigende stagnatie, namelijk de fragmentarische wijze waarop het Internet is opgebouwd en de ICP/IP-protocollen of regels volgens welke het functioneert.

Het Internet begon in 1969 in de VS als een experiment om een nationaal veiligheidscomputernetwerk op te bouwen dat in staat zou zijn een nucleaire aanval te overleven. Dus ontwierpen de geleerden een systeem waarbij computers onder alle omstandigheden data langs een groot aantal wegen konden blijven uitwisselen. Dat kregen ze voor elkaar door de te verzenden informatie te segmenteren in kleine pakketjes met data. Een soort elektronische envelloppes dus die ieder een klein deeltje bevatten van een te verzenden tekst, tabel of afbeelding. Elk data-pakketje heeft een label met bestemming, retouradres en een identificatienummer.

In het hart van het Internet bevinden zich tienduizenden 'routers', een soort schakelcomputers die het adres op elk pakketje razendsnel lezen en het dan à la de flipperkast, langs welke beschikbare weg dan ook, doorcaramboleren naar de computer die de eindbestemming vormt. Daar worden dan alle via variabele wegen gearriveerde pakketjes weer bliksemsnel geassembleerd tot de oorspronkelijke zending en afgeleverd. Zo'n netwerk is nagenoeg onverwoestbaar. Als een deel wordt verwoest door bommen, blijft de rest gewoon doorfunctioneren. Daar was het ook voor ontworpen en niet om snel en efficiënt tientallen, laat staan honderden miljoenen gebruikers te bedienen.

Oplossingen voor de aanzwellende congestie liggen niet voor het opscheppen. De meest voor de hand liggende remedie is natuurlijk uitbreiding van capaciteit en bandbreedte. Zo bieden telecommaatschappijen thans een uitwaaierend menu van technologieën om de vaak nog uit het Spoetniktijdperk daterende telefoonlijnen richting Internet op te fokken. Er is bijvoorbeeld het ISDN (integrated services digital network) dat de capaciteit van een eenvoudig analoog lijntje al snel vervijfvoudigd. Tot voor kort was ISDN peperduur en moeilijk te krijgen. Nu biedt PTT Telecom het al voor een paar honderd gulden aan of zelfs gratis in ruil voor twee oude analoge lijnen.

Verder experimenteren grote telecom-exploitanten met de verwante maar nog veel krachtiger ADSL (asymetric digital subscriber line)-technologie. Wat er ook aankomt, met name in Nederland, is telefoon- en Internetverkeer via de kabel die nu nog exclusief televisie in de huiskamer bezorgt. De kabel biedt veel meer capaciteit dan de telefoonlijn en verscheidene experimenten lopen al. In plaatsen als Amsterdam, Hilversum en Eindhoven gaat kabelexploitant A2000 (Philips, USWest en United International) later dit jaar aan de slag. Ook onze grootste kabelexploitant Casema (met 1,2 miljoen aansluitingen en de PTT als grootaandeelhouder) hoopt weldra Internet via de kabel te bieden onder de naam 'Fast Internet'.

Dit alles zal beslist helpen maar vooral voor lokale Internettoepassingen. Want deze remedies raken niet het centrale Internetsysteem met zijn 'backbones' van supercomputers en z'n tienduizenden routercomputers die de ontelbare datapakketjes over het netwerk expediëren. Waarom gewoon niet meer van die routers aangeschaft? Helaas blijkt ook dat onvoldoende om de verstoppende Internetaderen door te blazen.

Natuurlijk worden ook deze routers steeds krachtiger en volgen de chips in hun ingewanden al dertig jaar de zogeheten wet van Moore, de oprichter van Intel. Volgens die wet verdubbelt de chip/computerkracht elke achttien maanden. Probleem is alleen dat het gebruik van Internet in minder dan negen maanden verdubbelt en dat van z'n populaire multimedia-afdeling World Wide Web zelfs in minder dan drie maanden.

Waarom dan niet meer routers ingezet? Ook dat blijkt minder eenvoudig dan 't lijkt. Een router leest het adres van ieder data-pakketje dat passeert en stuurt het via de op dat moment beschikbare snelste weg door naar de volgende router. Een router maakt die keuze door razendsnel een 'adressenlijst' van de andere routers (nu al meer dan 40.000) te raadplegen. Door meer routers aan het Internetsysteem toe te voegen, moet die adressenlijst worden uitgebreid en komen er in het Net meer knooppunten. Dat veroorzaakt meer complexiteit en vertraging, ofwel een 'schaalprobleem'. Een afdoende oplossing daarvoor is blijkbaar nog onvindbaar.

Dus wordt er nu vooral gezocht naar middelen om het dataverkeer op het Internet te beteugelen of 'slimmer' te leiden. Een populaire methode van 'verkeersbeperking' is het zogeheten 'caching', dat is gebaseerd op de observatie dat een aanzienlijk deel van het Internetverkeer uit identieke boodschappen bestaat omdat gebruikers, vooral wat het Web betreft, massaal een beperkt aantal populaire plaatsen bezoeken. Zo stelde topman Per Bilse van Europa's grootste aanbieder EUnet vast dat 90 procent van alle Webbezoek zich richt op een vijftigtal van populaire Webplaatsen.

Volgens de 'caching'-methode wordt er op een regionaal netwerk een speciale 'cache'-computer geplaatst die kopieën bewaart van iedere Website of pagina die de voorgaande dagen door gebruikers uit die regio is bezocht. Als een nieuwe gebruiker uit deze regio een Web-pagina aanvraagt, controleert de 'cache'-computer van de aanbieder eerst of er al een kopie van die pagina ligt opgeslagen. Als dat zo is, stuurt de computer die kopie in plaats van het origineel. Dat beperkt het Internetverkeer en daarmee de Internetcongestie maar is zeker geen afdoend antwoord.

Een andere methode om het explosief stijgende Internetgebruik af te remmen is dat gebruik volgens normale economische principes als een schaars goed te beschouwen, waarvoor moet worden betaald naar gelang het wordt gebruikt. “Nu betaalt de Internetgebruiker de Internetaanbieder een vast bedrag voor een bepaalde tijdsduur”, zegt Net-expert Stanley Milo van IBM-Nederland. “Welk gebruik je in die tijd van Internet maakt, telt nauwelijks. Het versturen van een e-mail van 800 bytes kan zo evenveel kosten als het verzenden van een digitale video van een miljoen bytes, al vraagt dat laatste wel wat meer tijd. De gebruikers hebben zo onvoldoende prikkels om Internetgebruik te beperken. Alles wat gratis of semi-gratis is, zuigt onbeperkt aan, slibt dicht en is gedoemd.”

Kortom, aan gebruik moet een passend en meer marktconform prijskaartje worden gehangen. Volgens Milo is dat technisch mogelijk maar komt het er nog weinig van omdat de Internetaanbieders juist nu in felle concurrentieslagen zijn verwikkeld om zoveel mogelijk nieuwe abonnees binnen te halen. “Maar deze kruik gaat zolang te water tot ze barst”, waarschuwt hij. “Overgang naar een meer realistische Internet-economie zou niet alleen overbelasting tegengaan maar voor bedrijven ook een stimulans betekenen om meer in het Internet te investeren.”

Deels in het kielzog van de noodzaak tot 'economisering' van het Internet wordt er een proliferatie zichtbaar van zogeheten 'Middelnetten', die ergens het midden houden tussen het Internet en de Intranetten ofwel interne en besloten bedrijfsnetwerken. Middelnetten richten zich niet op één bedrijf maar op een hele sector, niet op een bank bijvoorbeeld maar op de bankwereld. Zij worden vooral ontwikkeld op die delen van het Internet waarop grote Internetaanbieders controle uitoefenen - ook door samenwerking met collega's - en waar zij extra geld in steken om de prestaties te verbeteren. Zij kunnen klanten daarom via door hen gecontroleerde Middelnetten kwaliteit, stiptheid en veiligheid garanderen. Maar daar moet dan wel extra voor worden betaald.

“De droom van een totaal vrij en vrijwel gratis Internet voor iedereen wordt onhoudbaar”, oordeelt Net-analist Bill Gurley van First Boston. Hij ziet een parallel met het oude Wilde Westen waar temidden van algemene ongebondenheid groepen kolonisten zich afzonderden om gemeenschappen te vormen die gemeenschappelijke waarden definieerden waaraan de leden werden geacht zich te houden. “In zo'n gecontroleerd milieu is het gemakkelijker om scholen, kerken en bedrijven te vestigen”, aldus Gurley. “Het enige verschil met de elektronische wereld is dat gemeenschappen daar niet worden bepaald door geografische locatie maar door nabijheid op het netwerk.”

Bij de vorming van Middelnetten wordt ook wel gebruik gemaakt van nieuwe technologieën zoals ATM (Asynchronous Transfer Mode), gebaseerd op enkele wijzigingen in het Internetprotocol. Zo wordt bij ATM de informatie niet in afzonderlijke pakketjes lang variabele wegen naar de bestemming geloodst, maar in één geheel. Wat de risico's beperkt. ATM maakt het verder mogelijk prioriteit te geven aan bepaalde zendingen maar analogie van de PTT die snelle expres-, aangetekende-, of normale bezorging kent met bijpassende prijzen.

Middelnetdiensten worden sinds kort al aangeboden door de Amerikaans-Britse combinatie MCI-BT. En zegsman Kees Steijer van de Nederlands-Zweeds-Zwitserse alliantie Unisource laat weten dat er voor begin volgend jaar iets dergelijks aankomt en wel in samenwerking met de Amerikaanse partner AT&T. In Nederland zelf laat het universitaire netwerk SURFnet zich dit jaar bij wijze van proef aansluiten op een ATM-netwerk van PTT Telecom. Wat veiligheid en capaciteit ten goede moet komen.

Al deze ontwikkelingen kunnen het bankroet bezegelen van het ideaal van een zelfregulerend, egalitair en volstrekt democratisch Internet dat moet uitmonden in een betere wereld. Maar commerciële bedrijven en andere instellingen die de congestie willen ontvluchten, meer zekerheid en kwaliteit wensen en daarvoor willen betalen, zullen vermoedelijk de voorkeur geven aan een Internet/Middelnet dat opereert volgens gangbare economische wetmatigheden.