Afghanistan; Tragische passie verdween uit straten Balkh

BALKH, 10 AUG. Bij de ruim duizend jaar oude grafsteen van de dichteres Rabi'a Balkhi is het rond het middaguur uitgestorven. Ook de meisjes met liefdesverdriet, die anders dikwijls naar het slaperige provincieplaatsje Balkh komen om troost te zoeken bij dit monument van wanhopige liefde, laten het afweten in de verzengende hitte die er in dit jaargetijde in het noorden van Afghanistan heerst.

Dan was hun idool uit ander hout gesneden. Rabi'a, de zuster van de toenmalige heerser van Balkh, werd hartstochtelijk verliefd op een Turkse slaaf. Toen haar broer op een dag liefdesverzen voor de slaaf ontdekte, liet hij haar prompt in een heet bad gooien en haar aderen doorsnijden. Terwijl het leven uit haar wegvloeide, zo wil de overlevering, zag Rabi'a nog kans met haar eigen bloed een gedicht in het Perzisch op een muur te schrijven.

“Ik zit gevangen in het zo verraderlijke web van de Liefde”, luidden vrij vertaald enkele van haar laatste strofen. “Al mijn inspanningen bleven vruchteloos. Ik was me er niet van bewust dat ik zo'n volbloed bereed, hoe harder ik aan de teugels trok, hoe minder hij toegaf. De Liefde is als een oceaan zo breed, ook een wijs mens steekt die nergens zwemmend over.”

De lommerrijke hoofdstraat van Balkh is van zulke tragische passie geheel ontbloot. Een enkele ezelskar kleppert voorbij, winkeliers dommelen bij een temperatuur van tegen de 40ß8 Celsius wat naast hun koopwaar, terwijl anderen rondhangen in een theehuis. Slechts het gezaag van een timmerman verraadt dat Balkh nog over enige creatieve energie beschikt.

Wie het hedendaagse Balkh ziet, kan nauwelijks geloven dat dit achterlijke plaatsje eeuwenlang een ontmoetingspunt van beschavingen uit Oost en West is geweest, een intellectueel, politiek en commercieel centrum van de eerste orde. Slechts ruïnes herinneren nog aan dit roemrijke verleden, want Balkh is door de eeuwen heen herhaaldelijk verwoest, het grondigst door de Mongoolse horden van Djengis Khan in de dertiende eeuw.

De ironie is dat er ook vandaag de dag op de eeuwenoude, zwaar gehavende muren en fortificaties van Balkh nog militaire posten met machinegeweren zijn ingericht. Ze worden bemand door de Oezbeekse strijders van de sterke man uit deze regio, generaal Rasheed Dostam. In een overmoedige bui willen Dostam en zijn soldaten er zich nog wel eens op beroemen dat ze rechtstreekse afstammelingen zijn van Djengis Khan.

Noch de grote Khan noch Dostam heeft hier echter veel opbouwends verricht. Balkhs glorieperiode gaat veel verder terug. Zo'n 2.500 jaar geleden predikte hier de geheimzinnige Zoroaster, ook wel bekend als Zarathustra, een van de eersten die neigden naar het monotheïsme. Hij smeedde lokale veeboeren uit naam van de god Ahuramazda tot een weerbare gemeenschap, die binnenvallende Centraalaziatische nomaden van zich af wist te slaan. De streek beleefde zo een periode van grote welvaart. Zoroaster is tevens de stamvader van het Parsi-geloof, dat nog altijd voortleeft in vooral Iran en India.

Hier ook passeerde ver voor de jaartelling Alexander de Grote, die Balkh (toen Bactra geheten) in het voorbijgaan veroverde, want het was ook toen al een begerenswaardige plaats. Enkele eeuwen later raakte Balkh in de ban van het boeddhisme en nog in de zevende eeuw stonden er volgens kroniekschrijvers in Balkh en omgeving meer dan honderd kloosters.

Daarna volgde een nieuwe bloeiperiode onder weer een andere godsdienst, de islam. Deze heeft de meest tastbare herinneringen achtergelaten in Balkh. Even buiten het plaatsje staat de ruïne van een van de vroegst bekende moskeeën uit de hele islamitische wereld van het begin van de achtste eeuw. De kloeke, met weelderige bloemmotieven versierde zuilen getuigen van het hoge peil dat de islamitische cultuur toen al had bereikt. In Balkh zelf gaat de bevolking nog elke dag bidden in een blauw betegeld meer dan 500 jaar oud heiligdom dat werd opgericht ter nagedachtenis van de prominente theoloog Khwaja Parsa.

De vernietigende oorlog in Afghanistan van de afgelopen zestien jaar heeft Balkh zonder al te veel kleerscheuren doorstaan en de bevolking heeft het er naar Afghaanse begrippen niet kwaad. Maar gezeten op een tapijtje op een door lemen muren omgeven binnenplaatsje vertelt de 22-jarige Shafed dat hij daar anders over denkt. “Het leven is hier pover en er is niets te doen”, vindt hij. “Het is overal elders beter. In Pakistan, in India, in Amerika.”

Na het verorberen van enkele dikke trossen sappige druiven blijkt dat de schoen ook elders wringt. “Ik wil graag trouwen”, bekent Shafed, die een bescheiden winkeltje drijft, “maar ik kan me de bruidsschat niet veroorloven die daarvoor nodig is.” Wellicht kan hij zich Rabi'a's laatste vers ter harte nemen: “Wanneer je lelijke dingen ziet, verbeeld je dan dat ze mooi zijn. Eet vergif maar proef de smaak van zoete suiker.”