Weinig woorden zeggen genoeg

Soms heb ik het gevoel dat ik alles begrijp. Het is natuurlijk volstrekt onverantwoord om dat gevoel te hebben, maar ik kan er niets aan doen, ik heb het nou eenmaal.

Ik ben naar de stad geweest om de vakantiefoto's op te halen. Ik loop op de Oostdam en vraag me af hoe ik naar huis zal gaan, door het Bredius of langs de Oude Rijn. Ondertussen hou ik met een half oog het verkeer in de gaten en ben ik me vaag bewust van het gewicht van een dubbele set foto's in mijn jaszak. En opeens merk ik dat het weer zover is: ik begrijp alles.

Alles?

Nee, de finesses van het periodiek systeem begrijp ik niet, en de werking van de benzinemotor begrijp ik ook niet, om over computer en internet nog maar te zwijgen. Maar het deert me niet dat ik die dingen niet begrijp. Ik begrijp waarom ik ze niet begrijp. Door te kennen te geven dat ik ze niet begrijp, zet ik ze toch op hun plaats, breng ik ze toch onder mijn gezag.

Ik begrijp dus alles en ik moet zeggen, dat is een prettig gevoel. Het ontslaat je bijvoorbeeld van de plicht tot nieuwsgierigheid en van de plicht tot verwondering, wat ik altijd twee heel verontrustende plichten heb gevonden.

Het is iets anders dan een gevoel van geluk.

Het is zelfs iets ander dan een gevoel van macht, hoewel het op zichzelf wel degelijk een sterk gevoel is.

Het is het gevoel van een steen die lang genoeg op de bodem van een bergriviertje heeft gelegen. Alles wat moest worden geslepen is geslepen, alles wat moest worden afgerond is afgerond.

Het is de hermetische zekerheid dat je bent wat je bent, dat je denkt wat je denkt, dat je kunt zeggen wat je te zeggen hebt, dat het universum van je woorden tot in de verste uithoeken samenvalt met het universum van je ideeën.

In dit universum nu verplaatsen wij ons naar Spanje. Per vliegtuig naar Malaga, dan met de bus via Granada naar de rand van de Siërra Nevada, vervolgens te voet van het ene dorp naar het andere, tot we op een kille, naar regen neigende namiddag een pleintje bereiken. Aan dat pleintje staat een café, in de deuropening van dat café hangt een kralengordijn, bij dat gordijn zit een kat, kouwelijk door haar poten gezakt.

Ze had iets van een angora, maar is inmiddels lelijk aan lager wal geraakt - een ingescheurd oor, een wazig oog en de woekering van een soort eczeem op haar achterhoofd.

Ze glipte met ons mee naar binnen en begon met klem te miauwen. Ze had honger. En nu kon ze nog duidelijk maken dat ze honger had, straks misschien zelfs dat niet meer. Wanhoop dus. Of nog één waarschuwing aan de wereld: op deze manier hou ik het echt niet meer vol.

We keken naar de man achter de bar om te zien of ons het binnenglippen van die kat werd aangerekend, en o misverstand, hij vatte onze blikken op als een aansporing om haar eruit te jagen.

Op de televisie: een stierengevecht.

Een van ons had een soort cornetto besteld en ging naar buiten om het dier wat ijs te voeren.

“Redden kun je haar niet”, zei iemand.

“Maar je kunt haar wel een prettige dag bezorgen”, zei ik.

Later zagen we dat ze rechtop ging zitten om haar buik te likken. Met het speeksel van dat kleine beetje roomijs! Het zag er hopeloos uit, maar je weet het niet, misschien droomde ze nog van een mooie vacht, een vacht die haar een tehuis zou opleveren, met een kachel, een schoteltje melk en een koesterende mensenhand.

Je bedenkt dat het bestaan van die kat je zoëven nog volslagen onbekend was, hoewel ze ook toen al honger had. Je weet dat je het bestaan van die kat zostraks zult beginnen te vergeten, hoewel ze ook dan nog honger zal hebben. Maar dat verandert niets aan het moment daartussen, dat ongemakkelijke moment van medelijden, of om nauwkeuriger te zijn: het moment dat je in het ongewisse verkeert over de juiste proporties van dit medelijden.

Bij de boeken die ik had meegenomen zat een verhalenbundel. Tragische verhalen zo te zien, verhalen (flaptekst) over het menselijk onvermogen om te communiceren.

Vroeger was ik wel gevoelig voor dergelijke aanprijzingen. Het menselijk onvermogen om te communiceren. Dan stond ja al zo goed als in het walhalla van de literatuur, op de drempel van de Nobelprijs. Zulke verhalen moest je lezen, schrijven zelfs.

Tegenwoordig word ik er balorig van. Dooddoeners. Want wat is de werkelijkheid? Mensen communiceren zich min of meer te pletter en het beeld dat ze zodoende oproepen, zowel van zichzelf als van elkaar, laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Het is één kluwen van verdriet en liefdeloosheid.

Ik zal niet zeggen dat al dat gecommuniceer daar nou juist de oorzaak van is, maar als iedereen een beetje met rust gelaten werd, zou het op z'n minst niet zo opvallen. Alleen: je kúnt op deze wereld helemaal niet meer met rust gelaten worden.

Nu heb ik grappig genoeg de beschikking over een citaat van Nabokov dat mijn lezing van dit soort zaken lijkt te ondersteunen. 'De mens bestaat slechts zolang hij van zijn omgeving gescheiden is.' Aldus de meester in Pnin. Maar als je goed kijkt, en dat is het grappige eraan, zie je dat je ook aan deze bewering elk gewicht kunt ontnemen door haar om te draaien. De mens bestaat slechts zolang hij met zijn omgeving verbonden is. Ja toch?

Nee, daar word je niet wijzer van. Misschien ligt het aan het abstractieniveau. Misschien gedragen gedachten zich zo door het zuurstofgebrek.

Hoe het ook zij, eigenlijk gaan al die verhalen over het menselijk onvermogen om niet te communiceren!

Is dat niet nog veel tragischer?

Overigens heb ik daar in Spanje geen woord gelezen (behalve in veldgidsen inzake vogels, planten en reptielen natuurlijk). Geen woord gelezen, dat moet een geslaagde vakantie zijn geweest.

Dezelfde dag nog sloot zich een klein bruin drijfnat hondje bij ons aan. Aan één vriendelijk woord, dat bovendien niet eens tot hemzelf gericht was ('wat een leuk hondje loopt daar'), had hij genoeg om te concluderen dat we gezamenlijk het avondeten zouden gebruiken. Hij volgde ons het restaurant in en om te voorkomen dat iemand hem kwaad zou doen, zette ik hem eigenhandig weer buiten de deur.

Voor deze geste werd ik de volgende ochtend royaal beloond. Hondje kwam me uitbundig tegemoet en in die uitbundigheid zat iets vanzelfsprekends, net of van meet af aan had vastgestaan dat de vriendschap tussen mens en hond na al die eeuwen zou uitmonden in deze ochtend, deze begroeting.

Hij liep mee naar de bakker, die nog gesloten bleek, en vervolgens naar de beek aan de rand van het dorp, waar je waterspreeuwen kon verwachten.

Een half jaar eerder was ik op m'n eentje in Zwitserland geweest en toen had ik me afgevraagd waarom er, terwijl daar toch alles gedacht werd, nog niemand op het idee was gekomen om op dagbasis honden te huur aan te bieden, het zogenaamde Rent-a-Dog-systeem - niet beseffend dat dit her en der op de wereld wel degelijk wordt toegepast, zij het in een nogal wrange versie en op initiatief van de betrokken honden zelf.

Toen wij het dorp verlieten stond ons een plek boven de vijfentwintighonderd meter voor ogen, ver in de sneeuw. Hondje was niet van ons weg te slaan en eigenlijk was dat ook nergens voor nodig; we zouden 's avonds in hetzelfde dorp terugkeren.

Onder zijn vacht voelde je meteen het orgelwerk van zijn ribbenkast, maar aan energie had hij geen gebrek. Hij hapte onbekommerd naar vlinders en joeg op laagvliegende zwaluwen. Bij een koe zette hij het op een blaffen, begeleid door dreigende uitvallen naar de poten - niet zozeer uit kwaadaardigheid, maar om te laten zien dat hij, klein als hij was, best wist hoe het hoorde. Toch: dat zou je hem moeten afleren.

In de naaktheid van het hooggebergte werden we ontvangen door een vreselijke wind, vreselijk vanwege de ijzige kou die erdoor werd meegesleurd, vreselijk ook omdat hij blééf aanwakkeren. Op den duur voelde die wind aan als een krachtpatser die zijn armen om je heen sloeg met de bedoeling je in een ravijn te smijten.

Toen we eindelijk ergens konden gaan zitten en onze rugzakken openmaakten, zocht Hondje, nadat hij al die uren in de buurt was gebleven van degene die het brood bij zich had, gauw toenadering tot de geur van kaas en gerookte ham.

Na het eten vond hij een platte, door de zon verwarmde steen. Hij rolde zich op met de precisie van een reptiel en viel onmiddellijk in slaap.

Als ik 'met de precisie van een reptiel' zeg, bedoel ik dat zonder ook maar een zweem van afkeuring. In tegendeel: in de reptiliaanse afhankelijkheid van zon zit voor mij iets heel ontwapenends. Toen we verdergingen moesten we hem wakker maken.

Hondje was, zoals gezegd, maar een klein ding. Ik deed enige moeite hem vanuit een laag standpunt te fotograferen, maar zodra hij me op mijn hurken zag zitten, kwam hij vrolijk aangerend. Het gevolg was toch zo'n half amateuristische opname van boven.

Ze zijn inmiddels ontwikkeld en afgedrukt. Ik heb ze opgehaald in de stad en ben, hetzij door het Bredius hetzij langs de Oude Rijn, naar huis gelopen. Bij het uitspreiden op tafel komt hij onverhoeds te voorschijn. Hij breekt uit het cocon van de herinnering en verandert in een echt drijfnat hondje - of zou het op dit moment droog zijn in het dorp? Plotseling wordt de arcadische zekerheid dat we hem een prettige dag hadden bezorgd, bedolven onder een stortvloed van twijfels.

Had hij een huis?

Er waren schoolmeisjes geweest, die hem aardig hadden bejegend; zo te horen hadden ze hem zelfs bij een naam genoemd. Onze hotelhouder had hem bij een bepaalde gelegenheid bovendien op straat gezet met de woorden: 'A la casa!' Maar als hij een huis had, waarom had hij zich dan zo nat laten regenen, en a la casa, betekende dat wel naar huis, was dat geen Spaans voor lazer nou eens op?

Had hij een toekomst?

Ja, de zomer zou hij wel doorkomen. Hij zou gauw genoeg leren (als hij het al niet geleerd had) om bij dat hotel toeristen (rugzakken) op te pikken en ze te gidsen op de dagmars van hun keuze. Of zijn investeringen steeds zouden renderen viel te betwijfelen, maar iets zou hem altijd wel worden toegestopt. In feite waren we geen hond tegengekomen die beter voor het zwerversbestaan was toegerust dan hij. Allemaal veel schuwer. Sommige zo erg, dat ze al op de vlucht sloegen als je je hand uitstak om een korst brood te geven.

En de winter zou hij ook wel doorkomen. Hij was nog jong (priemende tandjes), maar had er beslist al één achter de rug.

Maar als hij werd aangereden?

Als iemand hem een ongeluk schopte?

Wie zou zich om hem bekommeren?

Hadden we hem niet moeten meenemen? Naar het volgende dorp, dat had gekund. Een nacht in een pension, dat ook. Dan per bus of taxi terug naar Malaga, zelfs dat. Maar stel dat ze op het vliegveld weigerden passage voor hem te boeken? Dan stond je daar!

Het zijn niet deze gedachten op zichzelf (het zijn nooit je gedachten op zichzelf), het is de hoerige schaamteloosheid waarmee ze zich aan je opdringen. De verbeelding van dat moment met Hondje bij een onvermurwbare balie is zo brutaal, dat het zweet me uitbreekt.

Goed, denk ik nu nog steeds dat ik alles begrijp?

Jawel, eigenlijk wel, eigenlijk begrijp ik altijd alles wel. Maar heb ik gezegd dat het altijd helpt om alles te begrijpen?

Dan steekt een fragment uit een kleine roman de kop op. Misschien toepasselijk. Bij het doorbladeren slaat de schrik me om het hart. Hij is wel heel erg klein, die roman. Alles bij elkaar past hij, lijkt het, in een notedop.

Een fragment over pijn, of om precies te zijn: over de betrekkelijkheid van pijn. Pijn, dat is toch maar een stand van zaken. Vandaag pijn, morgen wat anders.

Er waren mensen die zeiden dat pijn scherpere herinneringen achterliet dan geluk, er waren zelfs biologen die dat meenden te kunnen verklaren - dan moest je het functioneren van het geheugen zien in het licht van survival en bedenken dat in situaties van pijn meer op het spel stond dan in situaties van geluk.

Ik geloofde dat niet zo. In mijn ervaring waren alle soorten herinnering even onbetrouwbaar en raakte alles wat je achter je had, doordrenkt met dezelfde mengeling van melancholie en spijt.

Nee, mij frappeerde iets anders. Ik ondervond mijn gevoelsleven zo onderhand als een permanent haasje-over. Verbluffend, dat vermogen van emoties om voorgaande emoties volledig op te slokken. Had je pijn dan had je je hele leven al pijn, was je gelukkig dan was je ook je hele leven al gelukkig. Met dit besef in je achterhoofd hoefde je je alleen nog maar te bekommeren om het allerlaatste moment, de overgang naar de dood - als dat goed was, was immers alles goed. En aangezien iedereen die het weten kon, beweerde dat dat altijd een moment van overgave, berusting, vrede was, was er eigenlijk niets om je zorgen over te maken.

Nou, is dat zo of is dat niet zo, en als het zo is, helpt dat dan?

Ik heb lang gedacht dat ik nog eens een grote roman zou schrijven, dat ik mijn zinnen ooit zou terugroepen uit hun diaspora om ze aaneen te smeden tot een absoluut meesterwerk, een demonstratie van inzicht en macht waar de wereld u tegen zegt.

Maar er is al zoveel waartegen de wereld u moet zeggen!

Het werkelijke probleem is trouwens niet hoe je de wereld amuseert, maar hoe je jezelf amuseert. En dan begin ik weer aan gedichten te denken. Dan neem ik een nieuw boekje (ook al omdat het vorige zichzelf heeft kwijtgemaakt), dat uitsluitend toegankelijk wordt verklaard voor zwarte inkt, echte inkt.

Over een ijsvogeltje en zijn spiegelbeeld. Over kraaien op het strand. Over oma aan de tafel uit haar ouderlijk huis. Over landschappen met koeien van Roelofs, Wijsmuller en Poggenbeek.

Het staat allemaal dichter bij Toon Hermans dan bij Rutger Kopland, maar dat vind ik eerlijk gezegd wel komisch.

Deze gedichten (flaptekst) zijn even oppervlakkig als het blad van waterlelies.

Deze bundel (flaptekst) heeft gegarandeerd geen centimeter diepgang.

Dat koopt natuurlijk iedereen!

Dus telkens als ik een nieuwe bladzijde in gebruik wil nemen, lees ik de voorafgaande even door. En dat gaat heel bevredigend - tót op een onbewaakt moment deze notitie verschijnt: weinig woorden zeggen genoeg.

Weinig woorden zeggen genoeg - een streep eronder, een streep erboven en streepjes opzij, zodat een vierkant beeld ontstaat, een soort verkeersbord, en zo blijkt het ook te werken: als een wegversperring. Je kunt er met geen mogelijkheid voorbij. Want daar staat zowel dat er maar weinig woorden zijn die genoeg zeggen, als dat je genoeg kunt zeggen met maar weinig woorden. En dat in niet meer dan vier woorden! En daar valt in beide betekenissen niets aan toe te voegen.

Dus het was alweer gedaan met dichten en omdat ook dit boekje zichzelf vroeg of laat zou kwijtmaken, kon het in Spanje gerust worden gebruikt voor eenvoudige aantekeningen (met balpen) betreffende het verloop van de dagen, met name zoals dat tot uitdrukking kwam in de waarneming van vogels. Want daar slaan die tussen haakjes gesplaatste getallen op: het totaal aantal waargenomen soorten.

Pórtugos-Trevélez (1.5.96). Zon, winderig, beetje regen, sneeuw in de verte. Vos voor het hotel. Kolibrievlinder op blauwe egelbrem. Weer volop tapuit, zwarte roodstaart en grijze gors. Verder: groenling (40), kuifleeuwerik (41), provençaalse grasmus (42), blonde tapuit (43), rode rotslijster (44), bijeneter (45).

Bij die bijeneters zaten we al vlak boven Trevélez. We daalden af in de steilte van een onstuimige waterloop en moesten aan de kant voor een paard, moedeloos op weg naar boven, beladen met manden met mest. Er woonden blijkbaar koeien in dat dorp.

Zo kwamen we op een pleintje terecht en aan dat pleintje stond een café, in de deuropening van dat café hing een kralengordijn, bij dat gordijn zat een kat. En nog diezelfde dag sloot zich een klein bruin drijfnat hondje bij ons aan.

De volgende ochtend ging hij mee de bergen in. Zeker acht uur lang was hij samen met ons op pad. Pas tegen de avond keerden we in het dorp terug, een ander cafeetje dit keer, mét kralengordijn, zonder kat. Hondje glipte naar binnen en verschool zich achter een pilaar. Optimistisch, dat wel, maar niet zonder ervaring.

Op de televisie: een stierengevecht.

Toen duidelijk werd aan welk tafeltje we gingen zitten, schoof hij snel tussen onze voeten. Hij draaide zich om en viel onmiddellijk in slaap. En daar, onder dat tafeltje, hebben we hem laten liggen. We hebben onze thee opgedronken, zijn stilletjes opgestaan en vertrokken zonder hem te waarschuwen.

We hadden zijn vertrouwen, we konden hem verraden.

Aan de andere kant: elke andere oplossing was pijnlijker geweest, ook voor Hondje zelf.

Daarna hebben we hem nog één keer gezien, opnieuw drijfnat. Maar dat was nogal een larmoyante toestand (niet zielig, niet tragisch, larmoyant) en als je moet kiezen tussen larmoyant en onvolledig, dan kun je het beste maar ophouden.

In ieder geval was het bij die gelegenheid dat hij met weinig woorden door onze hotelhouder op straat werd gezet. 'A la casa!'