Televisie is een zegen

Hollands Maandblad 6-7, Televisie. Uitg. Veen, 64 blz. Prijs ƒ 12,50.

Zijn Maarten van Rossem en Maarten 't Hart tv-personalities? Voor de ware die-hards in de literatuur wel, want zij waren betrokken bij de - weinig bekeken - literatuurpraatprogramma's van Michael Zeeman en 't Hart zelf. De luchtige zelfspot waarmee Maarten 't Hart over zijn optreden een geestig stukje schrijft voor het zomerdubbelnummer van Hollands Maandblad over televisie is openbarend voor wie van zijn sympathieke optreden genoten heeft; zijn tegenstanders zullen er op hun beurt het hunne uit kunnen vissen. Zo werd de presenterende schrijver prompt verliefd op al zijn vrouwelijke gasten - Margriet de Moor, Carl Friedman, Marja Brouwers, Rascha Peper - waardoor zijn vragen dommer werden. Als zijn hart het medisch gezien had toegestaan, was hij zeker verslaafd geraakt aan het werk, bekent hij.

Het kijkje in de keuken dat 't Hart geeft valt in het niet bij de onthulling van historicus Maarten van Rossem: 'Bij een uitzending van Het Capitool, een serieus programma toch, vroeg de dienstdoende redacteur mij eens niet meer dan tien jaar in het verleden terug te gaan, aangezien de kijkers er anders geen touw meer aan zouden kunnen vastknopen.'

In het Maandblad gaat Van Rossem zonder schroom terug tot de bange jaren vijftig om de hedendaagse angst voor de televisie te verklaren. Al die cultuurpessimisten hebben ongelijk, zegt Van Rossem, daarbij tal van relativerende argumenten aandragend. 'Voor het massale bestaan van de vereenzaamde, bange en geobsedeerde kijker uit de cultuurpessimistische mythologie is nog nooit enig empirisch bewijs geleverd. De gemiddelde kijker kijkt in gezelschap en is lang niet zo gemakkelijk te manipuleren als in de jaren vijftig werd verondersteld. De televisie bevestigt eerder opinies dan dat zij opinies vormt.'

De verademende visie van Van Rossem - 'De televisie is een zegen' - wordt gevolgd door een apologie van de televisie door Frits Abrahams, een journalistdie hier een subjectieve, persoonlijke toon aanslaat waarnaar het geprikkeld luisteren is. De intellectuelen, onze lettrés, kijken neer op de massa's die tv-kijken, maar dat is volgens deze tv-criticus pure hypocrisie, luiheid, jaloezie en zelfgenoegzaamheid. Een VPRO-lidmaatschap alleen volstaat niet. Abrahams stelt met dodelijke eenvoud vast: 'een sublieme documentaire over de schrijver Philip Roth trok onlangs bij de VPRO 50.000 kijkers, wat betekent dat 250.000 VPRO-leden niet gekeken hebben.'

Oud-tv-criticus H.J.A. Hofland geeft in zijn historische overzicht een kat aan de Nederlandse film- en dramaproduktie en besluit met de niet onomstreden mening 'Geweld op het scherm brengt geld in de kas en doet op den duur de norm verschuiven.'

Bastiaan Bommeljé kiest voor de andere kant - 'Het huisaltaar zal mij niet meer verdoven' - en legt ons nog eens de schrikbarende cijfers van 'ontlezing' voor. Dit televisienummer van Hollands Maandblad verdient aandacht, liefst van en op de buis natuurlijk.

'Een matig literair tijdschrift' oordeelde de subsidiecommissie van het Produktiefonds onlangs over het Hollands Maandblad. En lelijk: 'van spraakmakendheid is geen sprake'. Op grond van de jaargangen 1994 en 1995 besloot de commissie dat de subsidiëring over anderhalf jaar wordt stopgezet als de kwaliteit van Hollands Maandblad niet beter wordt. Eind 1994 verjongde en verbreedde J.J. Peereboom zijn eenmansredactie met Bastiaan Bommeljé, Maarten Doorman en Marie-Anne van Wijnen. De commissieleden vinden het blad er sindsdien vreemd genoeg echter niet op vooruitgegaan. 'Het tijdschrift is meer een journalistiek produkt geworden.' Er schrijven inderdaad opmerkelijk veel journalisten voor Hollands Maandblad. Maar dat maakt het nog geen journalistiek produkt. Waar het Hollands Maandblad juist om gaat is het persoonlijke geluid van mensen die voor hun werk een andere, publieke stem hebben. Niet dat dan meteen literatuur ontstaat, maar toch tenminste iets als een mengvorm.

De nieuwe rubriek 'Toets der kritiek', waarin steeds iemand anders kort en krachtig de kritieken vergelijkt die over één bepaald recent boek verschenen zijn, is ook verrassend. Andere tijdschriften blijven daar bij achter.

De jaargang '96, nu op tweederde, bevalt even goed als de vorige maar bevat meer literair proza van 'echte' schrijvers als Gerard van Emmerik, Aat Ceelen, Jaap Harten, Leo Vroman en Nelleke Noordervliet. Hopelijk bevalt dat de commissie wat beter.

De meest spraakmakende redacteur, Bastiaan Bommeljé, heeft in april op de valreep - het rapport van de subsidiecommissie verscheen in juni - wellicht alle eigen glazen ingegooid met zijn uiterst vinnige stuk 'Dood door subsidie'. Hoe zal dat bij de commissie aangekomen zijn? Bommeljé beet nog eens flink in de hand die hem voedt - 'Heil Het Fonds' - en zit nu met de gebakken peren. Of misschien heeft hij eindelijk zijn zin, want hij sloot zich gretig aan bij Lord Gowrie die als voorzitter van de Engelse Arts Council suggereerde dat het beter zou zijn voor het literaire klimaat om alle subsidies voor literaire activiteiten gewoon te laten verdwijnen. 'Dat is een serieus en eminent idee, al was het alleen maar om verschoond te blijven van Beleidsplannen en Planningnota's.'

De redacteuren van Hollands Maandblad lijken het niet altijd met elkaar eens te zijn. 'Waar literaire bladen voor zijn', schreef Peereboom, in datzelfde nummer, 'dat is niet om drukte te maken en hun naam over aller tongen te laten rollen maar om enclaves van stilte en verbeelding te creëren'. Dat is frappant in tegenspraak met wat de redactie in haar subsidieaanvraag voor dit jaar schreef, namelijk 'een spraakmakende ontmoetingsplaats voor literatuur en politiek, kunst en wetenschap, gevestigde namen en beginnend talent' te willen zijn. Wat wil de redactie nu precies en wat zou men financieel gezien het beste willen?

    • Margot Engelen