't Is goed in 't eigen hert te kijken; De perfecte prieelpoëzie van Alice Nahon

De Vlaamse dichteres Alice Nahon was decennialang beroemd om haar troostrijke verzen over geloof, hoop en liefde. Onlangs verscheen een bundel over haar en haar werk, waarin wordt geprobeerd van Nahon een feministe avant la lettre te maken. Maar Alice Nahon zelf werd in haar leven slechts gekweld door één groot leed: 'Ik won in dit leven geen echtgenoot/Ik liep mij achter de mannen dood!'

Ria van den Brandt (red.): Alice Nahon 1896-1933. Kan ons lied geen hooglied wezen. Uitg. Houtekiet, 303 blz. Prijs ƒ 39,90.

Overal duiken ze ineens op: in antiquariaten en op boekenmarkten worden de dichtbundels van Alice Nahon (1896-1933) voor een paar gulden te koop aangeboden. Verwonderlijk is dat niet. Haar eerste bundel Vondelingskens uit 1920 haalde een oplage van 70.000 exemplaren, haar tweede, Op zachte Vooizekens, 60.000 en van haar laatste bundel Schaduw werden er 40.000 gedrukt. De op jonge leeftijd overleden beeldschone, serene dichteres was tijdens het interbellum een idool van scharen meisjes en vrouwen. Ze zochten steun bij Nahons sentimentele verzen over geloof, hoop en liefde. Via de erfboedels van een langzamerhand uitstervende generatie vinden vele beduimelde Vondelingskens en Vooizekens nu hun weg naar de tweehands boekenmarkt.

Nahons beroemdste gedicht is zonder twijfel 'Avondliedekens III' uit 1921:

't Is goed in 't eigen hert te kijken Nog even vóór het slapen gaan Of ik van dageraad tot avond Geen enkel hert heb zeer gedaan;

Of ik geen ogen heb doen schreien Geen weemoed op een wezen lei; Of ik aan liefdeloze mensen Een woordeke van liefde zei.

En vind ik in het huis mijns herten Dat ik één droefenis genas Dat ik mijn armen heb gewonden Rondom een hoofd dat eenzaam was

Dan voel ik, op mijn jonge lippen Die goedheid lijk een avond-zoen. 't Is goed in 't eigen hert te kijken En zó zijn ogen toe te doen.'

In de jaren twintig drongen deze regels door tot het collectieve geheugen van het Vlaamse en Nederlandse publiek, waar ze nog altijd niet helemaal uit zijn verdwenen: dochters leerden het vers bij de afwas van hun moeders.

Tot de literaire canon heeft haar poëzie nooit behoord. Des te opmerkelijker is het dat Nahon niet alleen in Vlaanderen - waar haar geboorte- en sterfdag tot op heden worden herdacht - maar ook in Nederland nog altijd bewonderaars heeft. In 1983, een halve eeuw na haar dood, verscheen bij uitgeverij Kok in Kampen de verzamelbundel De mooiste gedichten van Alice Nahon, samengesteld door televisiedominee Sipke van der Land. De bundel beleefde vijf drukken en ook de laatste druk van deze volgens de samensteller troostrijke en houvast biedende bloemlezing is allang weer uitverkocht. Zij was dan ook een dichteres, schreef Marnix Gijsen, 'die niet enkel de licht ontroerbare harten kon raken, maar die ook een echo vond bij wie de diepste geheimen van dit raadselachtige leven najagen'.

Zoetsappig imago

Alice Nahon werd honderd jaar geleden op 16 augustus in Antwerpen geboren. Om dit eeuwfeest luister bij te zetten heeft een Vlaams-Nederlands vrouwenstudies-collectief van literatuurwetenschappers, filosofen en theologen een bundel samengesteld die de bedoeling heeft Nahon alsnog haar plaats in de literaire canon te bezorgen. Het is de auteurs er daarbij om te doen de dichteres van haar zoetsappige imago te bevrijden en haar postuum tot vertolkster van de specifiek vrouwelijke, zoniet feministische stem, uit te roepen.

Een gekunstelde exercitie. De Nijmeegse filosofe Veronica Vasterling ziet overeenkomsten met Tina Turner en met de woeste, bandeloze popzangeres Janis Joplin. Zij stelt het gedicht 'Het halssnoer' van Nahon op één lijn met het opzwepende, door Joplin vertolkte 'Me and Bobby McGee', waarbij haar even is ontgaan dat dit nummer niet door een vrouw is geschreven: 'Freedom is just another word / for nothing left to lose / and nothing is just / what Bobby left me.' Deze tekst zou een parallel vertonen met Nahons: 'Ach Here, de vrijheid / klatergouden geschenk / dat de liefste mij geeft als hij gaat / Ach Here, / dat droef sieraad'. Beide kunstenaressen stellen volgens de auteur namelijk het typisch vrouwelijke dilemma aan de orde van 'de liefde die binding en overgave vereist enerzijds, en de vrijheid en zelfstandigheid die mogelijk zijn zonder (ge)liefde anderzijds'.

Magda Michielsens, docent vrouwenstudies in Antwerpen en Nijmegen gooit het over een andere boeg. Zij geeft toe dat de devote verzen van Nahon in hun tijd eerder rolbevestigend dan emanciperend waren, maar de oorzaak daarvan zoekt ze in het gegeven dat uitingen van vrouwen geen deel uitmaakten 'van de canon en het patrimonium'. Wat vrouwen - ondanks alles - wel schreven, kan volgens haar niet met gangbare criteria beoordeeld worden. 'Het is tot het Andere gemaakt, en dus extra gehaat en/of extra geliefd.'

De bundel Alice Nahon - Kan ons lied geen hooglied wezen bereikt precies het tegengestelde van het beoogde effect. De poging om Nahon te ontdoen van haar onschuld en heiligheid, leidt er namelijk toe dat er van het arme mens helemaal niets meer overblijft. In plaats van een getalenteerd dichteres met een typisch vrouwelijke stem of een feministe, waar de auteurs naar op zoek gingen, treft men een exaltée aan die op onbeholpen wijze Guido Gezelle probeerde na te bootsen. Slechts op één punt was Nahon haar tijd vooruit: op perfecte wijze wist ze haar publiek te bespelen. Door een beeld van zichzelf naar buiten te brengen dat volkomen samenviel met de gespeelde devotie van haar gedichten, las men haar poëzie als de autobiografie van een levende heilige, met wie menigeen zich conform de mode van die dagen maar al te graag identificeerde.

Nahon investeerde veel in haar image-building: ze liet zich opvallend vaak fotograferen, liefst als onschuldige maagd en zocht de aandoenlijkste portretten uit om haar bundels mee op te sieren. De mythe dat ze aan een dodelijke ziekte leed (tuberculoze) hield ze - ook toen ze allang beter wist - graag in stand ('Gij die me leven hebt geleerd, / God leer me sterven') evenals het daarmee verbonden drama dat de lichamelijke liefde voor haar niet was weggelegd en ze net als de moeder van God als maagd zou sterven.

Heiligenleven

Alice Nahon is op den duur in haar eigen heiligenleven gaan geloven, maar uiteindelijk heeft ze toch teveel aardse sporen nagelaten om de hemelse mythe in stand te kunnen houden. Uit getuigenissen van tijdgenoten, onder wie de schrijver Eddy du Perron, uit brieffragmenten en een ongepubliceerd gedicht blijkt dat ze voornamelijk gekweld werd door dit grote leed:

'Ik won in dit leven geen echtgenoot

Ik liep mij achter de mannen dood!'

De aan de universiteit van Nijmegen verbonden kunstfilosoof Daan van Speybroeck, die een essay schreef over de beeldvorming rondom de dichteres, meent dat Alice Nahon een hysterica was. Hij baseert deze diagnose op een foto waarop ze waarschijnlijk tegen de dertig loopt en met een strakke, priemende blik de lens in kijkt. Ze is ingesnoerd in een stuk stof dat voor haar borst is vastgeknoopt alsof ze in bedwang gehouden moet worden. Volgens hem vertoont de foto gelijkenissen met portretten van andere hysterische vrouwen van omstreeks de eeuwwisseling. Hoewel een enkele foto nauwelijks als bewijs kan dienen, zou Van Speybroeck wel eens gelijk kunnen hebben. Hysterie was in Nahons tijd een veelvoorkomende aandoening bij meisjes en vrouwen uit de betere kringen en wordt in moderne onderzoeken beschouwd als een wanhopig protest tegen de beperkingen die hun als gevolg van hun sekse werden opgelegd. Vooral als er niet tijdig een geschikte echtgenoot kwam opdagen die hun een levensvervulling als huisvrouw en moeder kon bezorgen, wilde het nog wel eens mis gaan.

Nahon, afkomstig uit een katholiek Antwerps gezin van elf kinderen, volgde huishoudonderwijs bij de nonnen. Op haar zeventiende, vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd ze verpleegster. Ze kreeg een vriend en het aantrekkelijke meisje zou vast en zeker snel getrouwd zijn, als ze in 1914 niet te horen had gekregen dat ze ongeneeslijk ziek was. Volgens de in de Nahon-bundel opgenomen 'nieuwe biografische schets', een nauwelijks leesbare opsomming van feiten die meer vragen oproept dan ze beantwoordt, verliet haar geliefde haar nadat was vastgesteld dat ze tbc had.

Om toch nog iets van haar leven te maken ging ze een cursus letterkunde volgen bij Pol de Mont, voorman van de Vlaamse Beweging, die haar in aanraking bracht met het werk van Hendrik Conscience, Albrecht Rodenbach en Guido Gezelle.

Vanaf haar 21ste verbleef Alice Nahon op de afdeling ongeneeslijk zieken van een rusthuis in Tessenderloo, waar ze zich ontpopte als dichteres. Haar ziekte en lijden, waarvan ze in haar poëzie kond deed, alsmede haar kloosterachtige isolement spraken tot de verbeelding en droegen in hoge mate bij tot haar roem.

Pervers

Toen Eric Defoort in 1991 in zijn biografie over Paul Pée onthulde dat Nahon tijdens haar verblijf in Tessenderloo verscheidene minnaars uit avant-gardistische kring had gehad, onder wie Paul Pée en Fernant Berckelaers, zorgde dat in Vlaanderen voor geschokte reacties. Pée beschreef zijn relatie met de zogenaamd maagdelijke Nahon, die in 1922 eindigde, als 'een passie in den volle zin van het woord: iets sensueels en pervers, maar met veel poesie'. Hij noemde haar 'een heerlijk vrouwtje als ze goed geluimd is', maar bij tijd en wijle 'totaal neurastheniek'. Aan haar andere minnaar, Berckelaers, schreef Nahon zelf dat hij haar pijn had gedaan door haar te behandelen als 'een passe-temps die men in alle vrouwen vindt.'

Ook Eddy du Perron vond Nahon neurasthenisch, zo blijkt uit de aardigste bijdrage aan de bundel, geschreven door Du Perron-kenner Manus van der Aa. In 1924 woonde Alice Nahon enkele maanden bij de Du Perrons in Brussel, als gezelschapsdame van de moeder van de schrijver. In de roman Het land van herkomst treedt ze op als zijn moeders lieve logée, die zij graag tot schoondochter had gekregen. Hoe Du Perron over Nahon dacht, komt tot uitdrukking in brieven aan zijn Zwitserse vriendin Julia Duboux. Hij schreef haar onder andere dat Alice dagenlang 'chronisch' huilde en hij vervolgde: 'Gisteren heeft ze mij 'een hardvochtig man' genoemd omdat ik op haar aankondiging dat ze zelfmoord ging plegen (en het was niet voor de eerste keer dat ik dat te horen kreeg) antwoordde: Goed, maar probeer dan wat op te schieten. Ze is weggegaan, tranen met tuiten schreiend.'

Du Perron schreef verder dat Alice een nare droom had gehad waarin haar beschermengel haar had meegedeeld dat hij niet langer haar pen zou sturen. Kennelijk was ze daar zo radeloos van geworden dat de ouders van Du Perron het nodig vonden haar naar een kwakzalvende vrouw te brengen die over geneeskrachtige kruiden beschikte en geesten kon bezweren.

Alice Nahon treedt ook op als personage in Du Perrons verhaal 'Een tussen vijf' dat hij in december 1924 schreef. De handeling is gesitueerd in een herstellingsoord waar de 24-jarige Betsy de enige vrouw is tussen vijf mannen. 'Betsy is lijdende. Aan wat? (-) Niets ernstigs in ieder geval.' Hij beschrijft haar als een vrouw die ongehuwd is gebleven, hoewel ze een paar mannen 'door en door heeft gekend'. Ook ten opzichte van de schrijver zou ze avances gemaakt hebben. Tevergeefs, want Du Perron voelde er niets voor. Kennelijk had hij haar door. Als een van de weinigen, zo blijkt uit wat hij over Betsy schreef, had hij in de gaten dat Nahon helemaal niet ongeneeslijk ziek was. Al tijdens haar verblijf in Tessenderloo, dus voor 1922, hoorde Alice Nahon van een Brusselse arts die ze op eigen initiatief consulteerde, dat ze niet aan tbc leed, maar aan een te genezen bronchitis. Niettemin hield ze tegenover de buitenwereld vol dat ze ten dode was opgeschreven en liet ze het zich aanleunen dat er in Nederland en België geld werd ingezameld om haar te laten kuren in Zwitserland. De belangrijkste geldschieter voor deze reis was de Belgische sociaal-democraat Camille Huysmans.

Hospita

Hoe Du Perron over Nahons poëzie dacht heeft hij duidelijk gemaakt in een gedicht dat zo begint:

'Mejuffrouw, uw wanhopige gebeden om Liefde, om rozen, om een man om God Hoezeer op rijm, werken als koorts onder de leden; mijn hospita is van uw smart kapot.'

Niet alleen Du Perron had in de gaten dat haar gedichten kitsch waren, bedoeld om, zoals hij het uitdrukte, 'het vulgus' te plezieren. In Nijhoff en Van Ostayen vond hij medestanders. Naar aanleiding van een bloemlezing uit Nahons werk, verschenen in 1926, toonde Nijhoff zich stomverbaasd over het enorme succes van de dichteres. Aangezien 'veel hartjes kloppen van meegevoel' wilde hij 'geen roet in het eten strooien', schreef hij in de NRC, maar dat verhinderde hem niet deze poëzie te bestempelen als 'een donzen weeheid' en de maakster ervan 'een degenererend gebrek aan durf' toe te schrijven. 'Moet een dichter schrijven wat wij voelen, of moeten wij voelen wat een dichter schrijft, that is the question. Alice Nahon vindt het eerste, ik het tweede.' Ook Van Ostayen was meedogenloos in zijn oordeel. Hij vond dat haar gedichten, die hij 'perfecte prieelpoëzie' noemde, 'een kleinburgerlijke allure' hadden. De levenshouding die uit haar werk sprak bestempelde hij als 'oprechte onoprechtheid'.

Critici als Van Ostayen en Nijhoff waren uitzonderingen. Gedurende de jaren twintig werd Nahon alom bewierookt en bewonderd. Ze kreeg literaire prijzen en in 1930 benoemde koning Albert haar tot ridder in de Kroonorde. Drie jaar later, op 21 mei 1933 stierf ze. Waaraan, dat wordt in de nieuwe biografische schets niet opgehelderd.

In Nahons nalatenschap bevond zich een groot aantal ongepubliceerde gedichten, die in de bundel Kan ons lied geen Hooglied wezen voor het eerst in druk verschijnen. Zo'n initiatief kan er soms toe bijdragen dat een vergeten oeuvre opnieuw wordt ontsloten. Een voorbeeld hiervan was de herontdekking van de romanschrijfster Carry van Bruggen dankzij de publicatie, in 1978, van een bundel door Jan Fontijn en Diny Schouten. Dat leidde tot de heruitgave van haar belangrijkste romans. Maar in het geval van de Vlaamse heilige Alice Nahon is het probleem dat er geen oeuvre ontsloten hoeft te worden, omdat het oeuvre te weinig voorstelt. De ongepubliceerde gedichten zijn even weemakend als de gepubliceerde en anders dan in het begeleidende artikel onder de titel 'De luiken geopend: aanzetten tot een vrouwelijke poëzie' hoopvol wordt gesuggereerd, nodigen ze niet uit tot 'een heroriëntatie' op Nahon.