Sobere esthetiek bij Van Schijndel

Tentoonstelling: Mart van Schijndel. T/m 11 sept. Architectuurcentrum Aorta, Achter de Dom 14, Utrecht. Di-za 10-17u, zo 13-17u. Di 20 aug 20u15 geeft Mart van Schijndel een lezing in Aorta.

Veel van de ontwerpen van Mart van Schijndel (1943) bestaan uit niet meer dan enkele vlakken die gelijmd, gevouwen of gebogen zijn. Op de door Van Schijndel zelf gemaakte, kleine tentoonstelling in het architectuurcentrum Aorta in Utrecht blinken zowel de inrichting als de getoonde architectuur, meubels en gebruiksvoorwerpen uit door hun helderheid. Hier presenteert zich niet iemand die alle registers opentrekt, maar een ontwerper die overtuigd is van de schoonheid van de elementaire geometrie, een begaafd beoefenaar van de kunst van het weglaten.

Er is een merkwaardig contrast tussen de eenvoud van het werk van Mart van Schijndel en de omhaal van woorden die hij nodig heeft om er iets over uit te leggen. De ingewikkelde toelichtingen op de tentoonstelling kunnen echter niet tegen de heldere vormen op, zelfs niet als ze met welwillendheid worden gelezen. Ook het elftal thema's waaronder hij zijn eigen werk heeft gerubriceerd, bevordert niet direct het begrip: 'synthese licht-kleur', 'huid-verpakking', 'symmetrie-asymmetrie' en 'in-om-tussen' brengen de bezoeker niet veel verder. Die trefwoorden zijn boven aan elf sandwichpanelen van licht doorlatende kunststof geschreven, die midden in de ruimte zijn opgesteld. Op die borden zijn telkens enkele foto's van een gebouw of ontwerp geplakt. Eromheen staan meubelstukken, lampen, vazen, kandelaars en glaswerk. Daarnaast is er iets ruimere aandacht voor Van Schijndels eigen woonhuis in Utrecht, waarvoor hij begin dit jaar de Rietveldprijs 1995 kreeg uitgereikt.

In het aangrenzende zaaltje is een video te zien waarin de architect geinterviewd wordt. Van Schijndel leidt de kijker rond in zijn eigen huis en laat met trots zien hoe de glazen pui op een schijnbaar onmogelijke manier kan opendraaien, door een scherpe hoek heen. Op dat moment manifesteert Van Schijndel zich als de 'esthetische technicus of technisch estheticus', zoals hij zichzelf noemt. Inventieve techniek en elegante vorm doen hier niet voor elkaar onder.

Het huis, in de Utrechtse binnenstad, is vanaf de straat onzichtbaar. Het is een volledig naar binnen gericht onderkomen dat is geordend rond twee patio's. Architectuurtoerisme, de boze droom van veel bewoners van bijzondere huizen, is hier dus onmogelijk. Twee oudere werken van Van Schijndel in het centrum van Utrecht zijn wel gemakkelijk te bekijken: het kantoor van het Landelijk Ondersteuningsinstituut voor Kunstzinnige Vorming (LOKV) aan de Ganzenmarkt uit 1985 en de verbouwing van de stallen van het Centraal Museum uit 1987. De entree van het kantoor van het LOKV wordt geflankeerd door twee ruwe zuilen die naar keuze kunnen worden gezien als onvoltooid of als afgebrokkeld. In het eerste geval zijn ze volgens de architect een verbeelding van het idee dat je ook op het terrein van de kunstzinnige vorming nooit uitgeleerd raakt. In het tweede geval moet de associatie worden opgeroepen met vergankelijkheid en hoe op de puinhopen van een oude cultuur een nieuwe kan ontstaan.

De verbouwing van een stallencomplex tot fraaie expositiezalen voor het Centraal Museum ontbeert dergelijke symboliek. Hier volstaat de heldere geometrie, die een belangrijker leidraad in het oeuvre van Van Schijndel is dan de spaarzame uitstapjes in de richting van symbolische architectuur. In de beste gevallen levert deze vernuftige helderheid resultaten op van dezelfde misleidende eenvoud als bijvoorbeeld Gerrit Rietvelds zigzagstoel.

De tentoonstelling is te bezichtigen in het nieuwe architectuurcentrum Aorta dat april dit jaar de deuren opende in het voormalige museum voor hedendaagse kunst. Tot en met 1998 krijgt Aorta jaarlijks 110.000 gulden subsidie van de gemeente en daarnaast een jaarlijkse aanvulling van vier sponsors. Net zoals vergelijkbare instellingen als Arcam in Amsterdam, het CAS in Groningen, het CAST in Tilburg en het ABC in Haarlem, richt Aorta zich voornamelijk op lokale architectuur en architecten, zonder dat de belangstelling ophoudt bij de gemeentegrenzen. Voor het najaar staat bijvoorbeeld een tentoonstelling op het programma over grote woningbouwlocaties in de omgeving van Utrecht.

    • Hans Ibelings