Parfum

Goudzoekers worden ze genoemd. De vrouwen die zich iedere avond in Stanleys Bar verzamelen in de hoop er een huwbare man tegen te komen met veel geld en een mooi huis.

Van de buitenkant is Stanleys Bar zo gecamoufleerd dat niemand weet dat het een bar is. Negen maanden heb ik om de hoek van Stanleys gewoond zonder enig idee te hebben van wat zich daar binnen afspeelde. Wel verbaasde ik me over de limousines die daar 's avonds voor de deur stonden en de vrouwen die in een rij stonden om naar binnen te mogen in hun prachtige jurken en hun opzichtige schoentjes en soms ook met grote hoeden die ze moesten afzetten om door de deur te kunnen.

Ongeveer twee weken geleden op een middag stond er geen portier voor Stanleys bar. Ik liep naar de voordeur die niet op slot bleek te zijn. In heel kleine letters stond op de deur: Stanleys Bar.

Direct achter de deur begon een trap die steil naar beneden liep. Ik deed een paar stappen en dacht: ik kan nog altijd zeggen dat ik me vergist heb in de deur.

Beneden was een klein halletje. De grond en de muren waren van ruw steen en er stond een emmer met sop. In ieder geval een spul dat op sop leek. Er was een witte schuifdeur, die ik opende.

Toen stond ik in Stanleys Bar. Diagonaal door de ruimte liep een bar waar men aan beide kanten aan kon zitten. Het blad was van marmer en het enige kunstlicht in deze ruimte kwam vanonder dat marmer vandaan. Verder waren er alleen maar kaarsen. Er stonden veel zetels, zoals ik mij voorstel dat die in Franse kasteeltjes hebben gestaan, vooral voor de revolutie. Dit alles kon niet verhullen dat we hier in een kelder waren.

Door een andere deur kwam een man in een zwart kostuum.

“We zijn nog niet open”, zei hij.

Hij wekte de indruk nijlpaarden met de blote vuist aan te kunnen.

“Neem me niet kwalijk”, zei ik.

Die avond om half een stond ik opnieuw voor Stanleys Bar. De portier zei dat hij op last van de brandweer niemand naar binnen mocht laten. Toen ik hem twintig dollar gaf opende hij de deur voor mij en zei: “Veel plezier.”

Ik legde dezelfde weg af die ik die middag al had afgelegd, alleen dit keer hoefde ik de witte schuifdeur niet te openen. Ik ging op de eerste de beste kruk zitten die vrij was, om de indruk te wekken dat ik hier wel vaker kwam. Tegen een muur zag ik de man staan die ik die middag ook al had gezien. Tegen een andere muur stond net zo'n man. Zij hielden de boel in de gaten en stonden klaar ongewenste elementen in een mum van tijd naar buiten te werken.

Zorg dat je geen ongewenst element bent, is een advies waar je in alle omstandigheden wat aan hebt. Veel van de activiteiten die ik ontplooi zijn er dan ook op gericht om te voorkomen dat mensen mij voor een ongewenst element houden. Om die reden had ik mij rijkelijk besprenkeld met duur parfum. Ook onder mijn oksels en zelfs in mijn schoenen, want ik heb nogal last van zweetvoeten. Het is mijn diepe overtuiging dat kwalijk ruiken het begin is van een leven als ongewenst element. Laatst kwam ik nog een man op straat tegen die mij voor een dollar een van zijn gedichten wilde voorlezen. De laatste regel luidde: “Ik was mij nooit meer.” Deze man had dus de strijd opgegeven. Hij had zich erbij neergelegd dat hij geboren was als ongewenst element en als ongewenst element zou sterven. Maar ik heb de strijd nog niet opgegeven. Zelfs na mijn dood wil ik nog lekker ruiken. Dat staat ook in mijn testament. “Als men mij mijn doodskleed heeft aangetrokken, besprenkel mij dan met de inhoud van een potje Chanel nr. 5 (of een ander nummer). Als dit in strijd is met de joodse wet, geef de rabbijn een paar honderd gulden.”

Het is allemaal notarieel vastgelegd.

Een meisje vroeg mij wat ik wilde drinken en ik bestelde een gin-tonic. Tegenover mij zat een oudere man tussen twee jonge dames in die hem om zijn hals hingen en hun tongen over zijn nek lieten glijden.

Om half vier heb ik deze twee vrouwen zien vechten. Tegen het einde van de avond leek de man voor de blonde te kiezen. Hij keerde zijn rug naar de vrouw met het zwarte haar en zoende vurig met de blonde. Maar toen trok de vrouw met het zwarte haar zo hard aan de haren van de man dat zijn hoofd achterover knakte. Ik kon het bijna zelf voelen. De man liep naar de wc. Maar de vrouwen begonnen te vechten. Zij trokken elkaars haren uit en als de man in het zwarte kostuum ze niet had gescheiden, hadden ze elkaars kapsels volledig geruïneerd. Een romantischer iemand dan ik zou wellicht hebben gedacht dat hij de ware hartstocht had gezien, maar ik meende dat ik de wonderbaarlijke en toch altijd ietwat onheilspellende ware overlevingsdrift had mogen bekijken.

Een half uur later verlieten ze de bar trouwens met zijn drieën, hevig gearmd.

“Neem mij in gebruik”, zegt een personage in Lulu van Wedekind.

Om half vijf waren er nog zes gasten in Stanleys Bar die niemand in gebruik had willen nemen, inclusief mijzelf. Vier vrouwen en twee mannen. Ik ben dat gewend, maar de anderen zagen eruit alsof ze er moeite mee hadden.

Ten slotte bood ik een dame een drankje aan. Ik kan me niets van haar herinneren behalve dat ze er afgeleefd uitzag, maar ik had me voorgenomen me ridderlijk te gedragen. Mensen die niemand in gebruik wilde nemen, stonden onder mijn persoonlijke bescherming.

We spraken af binnenkort naar het paardenracen te gaan kijken.

Die vrijdag kocht ik een strooien hoed en een verrekijker.