Muis worden

'Godsdienstleraar gearresteerd'. Geen mens die dat in de krant leest denkt aan geloofsvervolging, en zo hoort het ook. Waar het wel om gaat weet iedereen. Welke conclusies zijn daaraan te verbinden? Waarom, zo werd mij gevraagd, besteedde ik geen aandacht aan het misbruik van kinderen door de dienaren der kerk?

Als je ziet wat er tegenwoordig loskomt, en wetend hoe machtig de herders en hoe monddood de schaapjes waren, kun je op je vingers natellen wat de omvang van dit verschijnsel in het verleden moet zijn geweest. In Portugal schijnt onlangs een 'Monument voor het nooit geboren kind' te zijn opgericht. Een monument voor het misbruikte kind, schrijft iemand, zou meer op zijn plaats zijn.

Soit, maar de reden dat dit niet in deze discussie thuishoort is dat het niet met het geloof samenhangt.

Tegenwerping: maar laten ze dan niet doen of gelovigen de moraal in pacht hebben en ongelovigen in beginsel immoreel zijn.

Die tegenwerping is terecht, maar het feit blijft dat geen dwingend motief om niet te geloven is af te leiden uit het bestaan van dit betreurenswaardige verschijnsel. Alleen, pas op: hetzelfde geldt ook voor de omkering, dus dat fraaie en aandoenlijke zaken ook geen reden zijn om wèl te geloven - en dat is opmerkelijk genoeg het meest gehoorde argument in de huidige geloofsrevival: 'ontroering' als legitiem motief om te geloven, of ten minste begrip voor het geloof te hebben. 'Ontroering bij de geloofsbeleving van anderen', zo omschrijft Marjoleine de Vos het ('Een intelligentere weg naar boven', NRC Handelsblad 20-7), en zij spreekt al de vrees uit dat het 'een erg modieus gevoel' is.

Ik ben bang dat die vrees terecht is bij het voorbeeld dat zij geeft: van verre gekomen oude vrouwtjes op het Cycladen-eiland Tinos, die de lange weg omhoog naar de kerk gaan, soms op hun knieën, om boete te doen en het wonderdoende ikoon van de Heilige Moeder Gods te kussen. '...Je eigen hart brak voor haar als je naar haar keek, haar armoedige kleren, haar nederige maar hoopvolle houding - wie weet van hoe ver ze was gekomen en hoe ze had toegeleefd naar deze dag. Maar wie weet trouwens ook wat deze dag haar opleverde, hoe gelukkig ze misschien later de kerk weer verliet.'

Helaas, dit is nu precies wat bij mij behalve medelijden ook verontwaardiging wekt. Wat hebben ze die onnozele stakkers in vredesnaam op de mouw gespeld om ze zo ver te krijgen? Wat voor nameloze angsten hebben ze haar aangepraat? (De Vos: 'Wat zou zo'n vrouw gedaan kunnen hebben om zo'n openbare straf te verdienen?') Wat moet ze vervolgens allemaal doen om zich er weer van te bevrijden (voor zover dat ooit lukt)? En met wat voor dode mus wordt ze dan blijgemaakt? - want dat is waar iedereen altijd zo aangedaan over is, dat 'die mensen' op die manier 'toch maar troost vinden', een troost die wij niet kennen. De implicatie is goedbeschouwd: wij weten natuurlijk donders goed dat er eigenlijk geen remedie bestaat, ons zou je zulke dingen niet meer wijs kunnen maken, maar zij hebben iets dat wij onherroepelijk kwijt zijn, zij hebben nog dat kinderlijke geloof, en daar benijden wij ze zo om.

Welnu, ik niet. Ik vrees dat ik zulke oude vrouwtjes zie als misleid, levend in de duisternis, misleid door de donkere spokerij des geloofs; het is pittoresk voor toeristen maar identificatie ermee, of een poging daartoe, is een troebele zaak; wat het en passant ook duidelijk maakt is hoe het geloof de mensen weerloos en gemakkelijk exploiteerbaar maakt.

Dat wil niet zeggen dat de beschreven emotie mij onbekend is. Er bestaan scenario's die mij sterker aanspreken, maar zelfs voor zulke oude vrouwtjes ben ik niet helemaal immuun. Ik verbind er alleen niet de conclusie aan dat er 'iets hogers' bestaat. Dat volgt er niet uit.

Een soortgelijk verschijnsel bestaat ook op andere gebieden en dan valt ons niet in er die conclusie aan te verbinden. Ik denk bijvoorbeeld aan traditionele plattelandsgebouwen in Zuid-Frankrijk, Italië, Spanje. De gewone, alledaagse dorpsbouwkunst in die delen van de wereld (en in iets mindere mate trouwens ook bij ons) is van een verbluffende schoonheid; in een proces dat teruggaat tot de dageraad van het verleden heeft zich in de vormen, de proporties, de details, de kleuren en de gebruikte materialen een soort harmonie uitgeselecteerd die de huizen lijkt te beletten om lelijk te zijn. De plaatselijke landarbeiders, handwerkslieden, hadden de traditie in hun vingers, ze wisten precies hoe het moest, ze deden het instinctief goed.

Die volks-bouwkunst is nu bezig te verdwijnen en is zelfs meestal al verdwenen. Als je ziet wat ervoor in de plaats komt, krijg je zin om je op te knopen. Al die schitterende oude dorpen en stadjes vallen ten offer aan een soort banlieuisering. Zodra de mensen de kans kregen, en die kregen ze vanaf plusminus de jaren zestig, richtten ze in zowel die vorm, die harmonie als dat materiaal onherstelbare verwoestingen aan. Ze slaan het lijstwerk er af, vervangen stuc door cement, bepleisteren als ze even de kans krijgen de muren met gele of oranje mortel met kiezelsteentjes; pannendaken worden gerepareerd met golfplaat, achttiende-eeuwse deuren met hardboard en dito plafonds met piepschuim; ze reageren kortom als mensen die zich na eeuwen van onderdrukking opeens bevrijd voelden, alsof het vroeger allemaal niet mocht.

Zo blijf je zitten met een raadsel: hoe is die esthetiek dan ontstaan? Hoe werd dat fraaie evenwicht bereikt en hoe heeft het zich eeuwenlang kunnen handhaven? Het is ook hier of het armoede was die het in stand hield. En ook hier is de indruk onweerstaanbaar dat er iets waardevols verloren is gegaan, dat de mensen iets kwijt zijn geraakt, dat je daar 'iets nog heel kon zien dat wij alleen maar kapot kennen', zoals Marjoleine de Vos het treffend formuleerde. De analogie zal duidelijk zijn, en ook dat niemand het in zijn hoofd zou halen hier het bestaan van een Opperwezen plus Verlosser uit af te leiden.

We hebben muziek, poëzie, beeldende kunst... waarom verlangt een bepaald soort mensen bovendien nog naar iets 'hogers'? In feite worden de kunsten daarmee juist gereduceerd, gedevalueerd, maar haast niemand begrijpt dat. Kortgeleden heb ik eindelijk kennis genomen van het befaamde interview met Vonne van der Meer in Opzij van april '96, dat door veel mensen blijkbaar gezien wordt als een teken aan de wand, zoniet het startschot van de nouvelle vague der religiositeit.

Het viel me eerlijk gezegd niet mee; zoals zo vaak: onsympathiek is het niet maar wel, het spijt me het te moeten zeggen, tamelijk onbenullig. In het interview zelf komt de volgende passage voor: 'Een collega-schrijver zei: 'Er is niks en er zal hierna nooit iets zijn en ik dacht dat jij tot het slag mensen behoorde die dat onder ogen durfde te zien. Door gelovig te worden, bewijs je dat dat niet zo is. Je bent gecapituleerd. Maar ik houd van je werk, dus ik blijf je volgen'.' Dat is ook ongeveer mijn opinie, maar er ontbreekt nog wat, iets over humor.

Je leest uitspraken als: 'Je vroeg wanneer dat begonnen was, dat nadenken over God' - alleen al die neiging het woord geloven te vervangen door eufemismen als 'nadenken over God', 'iets willen met God en kerk', 'met God bezig zijn' - en dat is dan ook altijd 'ongelooflijk spannend'; wie Monty Python kent kan zoiets toch niet au sérieux nemen, het is bijna letterlijk de dialoog van die mensen die er eindelijk voor uit durven te komen dat ze muis willen worden - durven piepen, in elkaars bijzijn een stukje kaas eten: 'God bleek een onderwerp te zijn waarover je het niet zomaar aan tafel met mensen kon hebben' - 'Ik besloot toen: ik moet in een milieu terechtkomen waarin het wèl gewoon is dat je daarover praat en denkt.'

Nee, ook de bekering van Vonne van der Meer is au fond teleurstellend (want ik zeg niet dat er over religie niets belangwekkends meer is te schrijven). Ik denk dat dat voor mij toch het onoverkomelijkste is aan het geloof: humorloosheid.

Er is natuurlijk nog veel meer over te zeggen - over die onuitroeibare neiging die de mensen hebben zonder slag of stoot hun vrijheid af te staan, om alles uit handen te willen geven en alle verantwoordelijkheid over te dragen aan iets oncontroleerbaars. 'Er zijn altijd en overal wel mensen', heeft Karel van het Reve geschreven, 'die tot alles bereid zijn - honger, gevangenis, belachelijkheid, het aanbrengen en laten doodschieten van vrienden en kennissen - als het ze maar in staat stelt om ergens aan te geloven en hen ontslaat van de plicht de werkelijkheid in het gelaat te zien.' Maar je raakt er niet over uitgepraat, het verstandigste is eigenlijk er nooit serieus over te zijn, alleen maar het belachelijke ervan te laten zien - spotten - dat is het enige dat zin heeft.