'Morgen kan er een Nick Leeson opstaan'

De Verzekeringskamer gaat de Nederlandse pensioenfondsen intensiever controleren. Deze fondsen beheren hun 600 miljard gulden vermogen steeds actiever, creatiever en met meer risico. Zij nemen veel meer taken op zich dan alleen de oudedagsverzorging. “Morgen kan er een Nick Leeson opstaan.”

Eens waren het de muurbloempjes van de economie, nu zijn het de sterren op het feest. De Nederlandse pensioenfondsen staan in ieders balboekje. Bedrijfsleven, vakbonden en politici hebben de pensioenfondsen ontdekt als panacee voor financiële en maatschappelijke noden. Het pensioenfonds werpt zich op als redder in de nood wanneer de overheid zich terugtrekt uit sociale voorzieningen, spekt de kas van het bedrijf (75 miljoen gulden voor Nedlloyd) of fungeert als financieel smeermiddel bij de overgang van VUT-regeling naar pré-pensioen, zoals bij Unilever en Heineken. Minister Wijers (Economische Zaken) vindt dat de pensioenfondsen meer moeten investeren in de groei van de Nederlandse economie. Minister Melkert (Sociale Zaken) wil de arbeidskosten verlagen via soberder pensioenvoorzieningen.

De Verzekeringskamer - toezichthouder voor de bijna 1100 Nederlandse pensioenfondsen die gezamenlijk 600 miljard gulden beheren en beleggen - is niet onverdeeld gelukkig met de toegenomen aandacht voor de pensioengelden. Immers, het risico bestaat dat een greep in de kas van de pensioenfondsen de toekomstige uitkeringen van pensioengerechtigden in gevaar brengt. Daarom heeft de Verzekeringskamer besloten zijn controles op de pensioenfondsen te intensiveren.

Vorig jaar kwamen dertien pensioenfondsen in de problemen, zo meldde de Verzekeringskamer, die ook toeziet op de financiële gegoedheid van de verzekeraars, onlangs in zijn jaarverslag. Toegegeven, het gros van de probleemgevallen betrof kleine pensioenfondsen, maar toch. “De positie van pensioenfondsen is aan het verschuiven”, constateert voorzitter A.J. Vermaat van de Verzekeringskamer. “De verschillende bewegingen gaan niet dezelfde kant op”, zo waarschuwt hij.

In het verleden heerste bij de besturen van de fondsen - die traditioneel bestaan uit werkgevers en werknemersafgevaardigden - een sfeer van consensus. Zekerheid stond voorop. Pensioengelden moesten zo veilig mogelijk belegd worden, ook als dat betekende dat de rendementen laag bleven. Staatsleningen en obligaties waren de meest geliefde beleggingsobjecten, aandelen werden maar mondjesmaat in de portefeuilles opgenomen. De consensus van weleer heeft de afgelopen jaren plaats gemaakt voor polarisatie. Werkgevers willen tegenwoordig bij een fonds juist zo hoog mogelijke rendementen op de beleggingen en dat stimuleert aandelenbeleggingen die op langere termijn een superieur rendement hebben. Wanneer het fonds een hoog rendement haalt, is er minder pensioenpremie nodig om de verplichtingen op termijn af te dekken. Voor de onderneming biedt een lagere pensioenpremie dubbel voordeel: via een verlaging van het werkgeversdeel vallen de bedrijfskosten lager uit en via een lager werknemersdeel vallen de netto-lonen hoger uit zonder dat het de werkgever een cent kost.

Werknemers verwachten eveneens steeds meer van de fondsen, zoals waarde-overdracht van hun opgebouwde pensioenvoorziening als zij van baan veranderen, maar ook dekking van bijvoorbeeld het gat in de Nabestaandenwet na afschaffing van de AAW per 1 juli. Het pensioenfonds is zo van een onopgemerkte, bijna letterlijke bijzaak een integraal onderdeel geworden van het overleg over arbeidsvoorwaarden en andere personeelsregelingen (employee benefits). “Hoe hoger de maatschappelijke eisen, des te minder vrijheidsgraden het pensioenfonds overhoudt”, zegt Vermaat.

De pensioenfondsen drukken op hun beurt ook steeds meer hun stempel op de gang van zaken in de maatschappij. Door hun agressievere beleggingsbeleid profileren de fondsen zich als professionele financiers waarmee bedrijven rekening hebben te houden. Als geldschieters voor 'eigen' Arbo-diensten en verzekeringsmaatschappijen trachten de pensioenfondsen op de markt voor employee benefits een stevige vinger in de pap te krijgen. De verzekeraars - die deze ontwikkeling met lede ogen aanzien - houden op hun beurt vurige pleidooien voor de introductie van meer marktprikkels (in de vorm van concurrentie) in het pensioensysteem.

Typerend voor de nieuwe rol van het pensioenfonds als melkkoe voor het bedrijf en smeermiddel voor loononderhandelingen is Philips. Het pensioenfonds, het grootste ondernemingspensioenfonds in Nederland (24 miljard gulden belegd vermogen), schakelde dit jaar over op een nieuwe basis voor de pensioenuitkering. Het pensioen van nieuwe werknemers is niet meer gebaseerd op het laatste loon (eindloon), maar gekoppeld aan het gemiddelde loon tijdens de carrière. Dat is niet alleen goedkoper voor het bedrijf, de werknemer profiteert op korte termijn mee doordat Philips een hogere loonstijging kan betalen. Tegelijkertijd trekt Philips, zo blijkt uit het jaarverslag van het pensioenfonds, extra profijt van het aanwezige vermogen in het pensioenfonds, door een wijziging van de financiering van de pensioenregeling. Het concern hoeft pas pensioenpremie te gaan betalen als het fondsvermogen onder de grens van 105 procent van de pensioenverplichtingen zakt. Vorig jaar was die verhouding 126 procent. De nieuwe regeling heeft her en der verbazing gewekt. Hoe zal Philips reageren als het concern de pensioenkas moet spekken doordat het pensioenfonds door de 105 procent grens zakt als Philips op hetzelfde moment de winstgevendheid ziet dalen? “Het is niet goed als iedereen systematisch op het niveau van de minimum eisen gaat zitten”, vindt Vermaat, die zich overigens bij individuele fondsen op een geheimhoudingsplicht beroept. “Zoals Philips het doet, mag. Of het verstandig is, moeten zij zelf bepalen.”

Wat is de controlerende rol nog van de Verzekeringskamer nu de fondsen op deze manier ingezogen worden in het maatschappelijk krachtenveld? “De pensioen- en spaarfondsenwet is niet veranderd, die voeren wij uit”, zegt Vermaat. “Wij passen het toezicht wel aan, het was altijd ruim, zonder onnodige restricties. Wordt toezicht overbodig met een wijzigende rol van de pensioenfondsen? Naarmate pensioenfondsen meer verzekeraars worden, krijgen zij vergelijkbaar toezicht.”

“Niemand realiseerde zich tot voor kort dat er verschrikkelijk veel geld in de pensioenfondsen zit”, zegt directeur pensioentoezicht R. van Dam, “en dat het beleggingsbeleid stukken moeilijker is geworden, ook voor de bestuurders. Niet meer zoals vroeger even wat obligaties kopen en een paar huisjes.”

De veranderingen in het financiële beheer bij de fondsen, de hogere eisen die aan de bestuurders worden gesteld, de openbaarmaking van beleggingsresultaten en de kans op debâcles in de pensioenfondsensector nopen tot actie. De kwaliteit van de pensioenfondsbestuurders, die formeel verantwoordelijk zijn voor het door de directie gevoerde beleid, bezorgt de Verzekeringskamer steeds meer hoofdbrekens. De managers van de fondsen zijn de afgelopen jaren in hoog tempo geprofessionaliseerd, maar voor menig bestuurder is het pensioenfondswerk meer een part-time functie naast zijn dagelijkse activiteiten.

Dat was geen probleem toen de pensioenfondsen nog een passief beleggingsbeleid voerden en er nog geen sprake was van flexibele pensioensystemen. Inmiddels worden pensioengelden echter via tal van geavanceerde beleggingsinstrumenten (zoals derivaten) op de kapitaalmarkt geïnvesteerd, terwijl de nieuwe pensioenregelingen zo flexibel zijn dat het steeds moeilijker wordt om de lange-termijnverplichtingen te berekenen. “Bestuurders lopen steeds meer achter. Er is een steeds grotere kloof tussen wat men doet en wat men weet”, zegt voorzitter Vermaat.

Over het gebruik van complexe financiële instrumenten, zogeheten derivaten, heeft de Verzekeringskamer vorig jaar een circulaire verspreid om pensioenfondsen te wijzen op de noodzaak tot prudentie. De komende maanden volgt een enqûete naar het gebruik van deze financiële hoogstandjes. De Verzekeringskamer is extra alert, vertelt Van Dam, als het pensioenfonds een actieve belegger is die druk effecten koopt en verkoopt. “Het wordt een wereld van snelle jongens en snelle meiden. Morgen kan er een Nick Leeson opstaan. Bij Barings was op papier ook alles goed geregeld, maar ging het toch fout.”

Het is de vraag of besturen op deze snelle ontwikkeling voldoende controle houden. “Een bestuur moet alle kennis in huis hebben”, vindt Vermaat. “Al hoeven zij het niet zelf te hebben. Ze kunnen ook een adviseur inhuren, of een second opinion inwinnen.” Hij ziet steeds meer kans op zwakke plekken in de huidige constructie met een gekozen bestuur en een aangestelde directie: “Wie controleert hen? Er zijn niet, zoals bij grote bedrijven, commissarissen die dat kunnen doen. Wij worden ook afgerekend op de dingen die fout gaan”, zegt Vermaat. Denk aan de commotie na het bankroet van verzekeraar Vie d'Or.

De aard van het pensioen- en verzekeringsbedrijf, dat geënt is op lange-termijnverplichtingen, brengt met zich mee dat het jaren duurt voordat overmoedig management zich in financiële tegenvallers en zichtbare tekorten vertaalt. Pensioenfondsen beleggen nu geld dat gemiddeld over 20 jaar tot een pensioenuitkering leidt. De Verzekeringskamer wil de teugels op het gebied van toezicht aanhalen, maar het tempo ligt niet hoog. Vroeger kwam de Verzekeringskamer eens in de zeven of acht jaar op bezoek bij een pensioenfonds, nu is dat om de 4 à 5 jaar, doelstelling is elke twee jaar. Om dat te bereiken moet de groep van 30 mensen die nu het toezicht uitvoeren, fors aangevuld worden.

Evenals Vermaat is ook Van Dam van mening dat het bij de controle meer om de kwaliteit dan om de kwantiteit moet gaan. Hoeveel geld er ook omgaat bij de pensioenfondsen, een wekelijkse of zelfs maandelijkse controle zou zwaar overtrokken zijn, vinden beide toezichthouders. “Je moet steeds een afweging maken tussen de kosten van het toezicht en de opbrengsten van extra controle”, zegt Vermaat.

De intensivering van de controles maakt de Verzekeringskamer niet populairder onder de pensioenfondsmanagers. Vooral de grote pensioenfondsen, die het meeste moeten bijdragen aan het budget van de toezichthouder (jaarlijks 25 miljoen gulden, waarvan de pensioenfondsen 60 procent betalen; er werken 114 mensen) klagen over de extra controle. “Wij worden al gecontroleerd door een actuaris, door een externe accountant en door een raad van commissarissen”, vindt directeur mr. P. de Koning van SPF Beheer, dat onder meer het Spoorwegpensioenfonds (ruim 13 miljard gulden vermogen) beheert. Hij is van mening dat de Verzekeringskamer zich beter op de talrijke kleine fondsen kan richten, daar gebeurden de meeste ongelukken.

Een ander punt van kritiek van de pensioenfondsen is de conservatieve waardering van beleggingen in aandelen en vastgoed die de Verzekeringskamer voorschrijft. Zelf was de toezichthouder vijf tot tien jaar geleden helemaal geen voorstander van meer beleggingen in aandelen, erkent Vermaat. “Vroeger hadden wij iets van: beleg niet te veel in aandelen.” De toezichthouder heeft zijn koers verlegd, maar blijft volhouden dat een pensioenfonds te allen tijde aan de pensioenverplichtingen tegenover zijn werknemers moet kunnen voldoen, en dat daarom ruime financiële buffers aanwezig moeten zijn voor het geval effectenbeurzen of vastgoedmarkten in elkaar storten.

Nu de fondsen steeds grotere bedragen in aandelen investeren, spelen de benodigde buffers een steeds belangrijkere rol in het beleggingsbeleid, tot grote ergenis van de pensioenfondsbeheerders die zich hierdoor in hun handelingsruimte beperkt voelen. “Wij zijn primair beleggers van pensioenbesparingen, met een lange horizon”, zegt directeur beleggingen dr. J. Frijns van het ABP, met 200 miljard belegd vermogen het grootste pensioenfonds van Nederland. “Wij kunnen ons een korte-termijnrisico permitteren, daardoor kunnen wij extra geld verdienen.” De Verzekeringskamer is wel gevoelig voor de kritiek van de pensioenfondsen. Vorige week heeft de toezichthouder daarom voorstellen gedaan aan de pensioensector om gezamenlijk te bekijken welke buffers, op basis van de marktomstandigheden in het verleden, noodzakelijk zijn.

Bij hun verweer tegen strengere controles beroepen de fondsbeheerders zich ook op het feit dat er in de pensioenwereld maar zelden iets fout gaat. Werknemers krijgen na hun pensioen keurig het bedrag waar ze - op grond van hun premiebetaling - recht op hebben. Op die ijzeren regel bestaat één uitzondering: als een grote onderneming met een eigen pensioenfonds op de fles gaat, zoals Daf in 1993 en recent Fokker. Bij dergelijke faillissementen bestaat het risico dat het pensioenfonds met een tekort komt te zitten, waardoor de toezeggingen aan werknemers, ex-werknemers en gepensioneerden niet waar gemaakt kunnen worden.

Omdat pensioenuitkeringen in Nederland veelal gebaseerd zijn op het laatstgenoten loon, terwijl de premiebetaling plaats vindt over het (lagere) loon gedurende de loopbaan, moet een pensioenfonds altijd extra geld opzij leggen om aan de uiteindelijke verplichtingen te kunnen voldoen (zogeheten af-financiering). Die af-financiering kan plaatsvinden op het moment dat de werknemer een hoger salaris krijgt, maar kan ook vooruitgeschoven worden in de toekomst (de zogeheten 65-x regel).

Voor bedrijven die voor hun winst sterk afhankelijk zijn van het wel en wee van de economie, zoals de metaalsector, is het 65-x-systeem een uitkomst omdat de pensioenkosten daardoor uitgesteld kunnen worden. In goede tijden voor het bedrijf is dat plezierig, in slechte tijden is de verleiding onweerstaanbaar. “In slechte tijden zoekt een ondernemer het op, maar als het fout gaat is het te laat.” Zowel bij Daf als bij Fokker slaagden de pensioenfondsen er niet in om de extra benodigde gelden nog van de onderneming los te krijgen, omdat de bedrijven failliet gingen en daarmee hun premiebetaling aan het fonds werd gestaakt. “Formeel was er geen sprake van een tekort in het pensioenfonds, maar werknemers en gepensioneerden voelen het wel degelijk zo”, erkent Vermaat.

Bijna 200 pensioenfondsen, samen goed voor zo'n 50 miljard pensioenvermogen, gebruiken het 65-x systeem. Inmiddels gaan er in de politiek stemmen op om dit financieringssysteem af te schaffen. Tot die tijd kan de Verzekeringskamer het systeem niet verbieden, maar Vermaat dringt er bij staatssecretaris De Grave (Sociale Zaken) wel op aan om haast te maken met afschaffing. “Linschoten was daar al voor, ik hoop dat De Grave het, met inbegrip van een redelijke overgangstermijn, uitvoert.”