Mooie ogen zijn niet dodelijk; Sterke Euripides-vertaling van Gerard Koolschijn

Euripides: Hekabe/ Trojaanse vrouwen. Vert. Gerard Koolschijn. Uitg. Athenaeum - Polak & Van Gennep, 136 blz. Prijs ƒ 29,90.

'Het lot gedraagt zich als een idioot', vindt Hekabe. 'Het springt van hot naar her en niemand heeft ooit zijn geluk in eigen hand.' Het is niet de enige keer dat ze waarschuwt tegen de wisselvalligheid van de menselijke lotgevallen. Wie heel rijk en machtig was, is van de ene dag op de andere alleen nog maar een slavin: 'Noem niemand die in welvaart leeft gelukkig voor hij sterft.' Hekabe weet waarover ze het heeft, zelf was ze immers de koningin van de rijke en machtige Trojanen, een gerespecteerde vrouw en de gelukkige moeder van veel kinderen, onder wie de held Hektor, de knappe Paris die Helena schaakte, de zieneres Kassandra.

In Hekabe en Trojaanse vrouwen, de twee onlangs door Gerard Koolschijn vertaalde tragedies van Euripides die spelen vlak na de val van Troje, is Hekabe niets van dat alles meer. Ze is oud, haar man is voor haar ogen vermoord, Hektor is in de strijd tegen de Grieken door Achilles gedood, Paris is dood, Kassandra is door de Griekse bevelhebber Agamemnon het bed in gesleurd en ook van haar andere kinderen rest haar vrijwel niemand meer: nog slechts één zoon, Polydoros, die voor de oorlog bij een vriend in veiligheid werd gebracht, en een dochter, Polyxene, haar laatste steun en toeverlaat. In Hekabe krijgen we te zien en te horen hoe ook die twee kinderen haar ontvallen.

Het is te veel ongeluk voor één mens, een oude vrouw bovendien, die ook al heeft moeten toezien hoe haar stad, de stad waarin ze opgroeide, waar ze zich thuis voelde, in een puinhoop is veranderd. Niets heeft ze meer, niet eens haar waardigheid, want de Grieken laten haar keer op keer voelen en zeggen haar met zoveel woorden dat zij en haar kinderen nu rechteloze slaven zijn. Als de schim van Achilles eist dat het meisje Polyxene op zijn graf geofferd wordt, en sommige Grieken dat toch wel te ver vinden gaan, zegt Odysseus, de onsympathieke mooiprater, dat het niet aan gaat Achilles, zelfs al is hij dood, een gunst te weigeren 'als het gaat om het offer van een slaaf'. Dat die slaaf twee dagen eerder nog een prinses was, interesseert hem niet. Evenmin dat een mensenoffer op een graf 'waar het offer van een os beter zou passen' zoals Hekabe terecht zegt, barbaars is.

Er is niets aan te doen, het rad van fortuin wentelt, wie boven zat komt beneden, wie een koningin was, is nu een slavin. En nergens valt uit op te maken dat er een instantie is die zich dat aantrekt. De goden tonen zich volmaakt onverschillig, al hebben de Trojanen nog zo nauwgezet hun godsdienstige plichten vervuld. Hekabe veronderstelt nu dat 'de hemel' Troje haatte, en ze maakt de goden verwijten, waarbij ze zichzelf onderbreekt omdat ze er het zinloze van inziet. De goden hebben al niet eens geluisterd toen het de Trojanen goed ging en ze nog wat te bieden hadden, wat zullen ze zich dan nu interesseren voor de klachten van een oude vrouw? De tempel van Zeus in Troje - wat heeft die te betekenen gehad als deze verwoesting toegestaan werd? Het is de klacht van altijd - de mens die zijn god verwijt niets voor hem gedaan te hebben. Toch blijft Hekabe wel in Zeus geloven, maar haar omgang met hem is niet langer intiem: 'wie u ook bent, ondoorgrondelijk wezen, Zeus, een wet van de natuur, of de menselijke geest, ik bid tot u'. Ze richt zich, bij gebrek aan beter, tot een of andere ordening en die noemt ze dan maar Zeus.

Het zijn sterke uitspraken die Hekabe doet over het lot en over de goden, ze zijn bovendien zo van alle tijden. Dat is zowel ontroerend als moedeloos makend, hoe de mensen steeds maar weer met ontzetting en ongeloof reageren op steeds maar weer dezelfde verschrikkingen, ontheemding, dood, oorlog, die ze elkaar steeds maar weer aandoen.

In deze stukken gaat het om Troje, ze zijn geschreven in Athene in de vijfde eeuw voor Christus en toen waren ze actueel wegens de oorlog met Sparta waarin Athene was verwikkeld en vanwege een eerdere oorlog waarin de Atheners het eiland Melos precies zo behandeld hadden als de Grieken de Trojanen. Maar ze zouden ook best in de velden bij Vukovar kunnen spelen, of bij Tbilisi of waar dan ook - wij zien Hekabe dagelijks op de televisie. Daar loopt ze huilend met een bundeltje spullen naar een vrachtwagen toe, terwijl soldaten met geweren haar gebaren op te schieten. We verstaan haar niet altijd zo helder en de kracht van haar woorden dringt niet altijd zo goed tot ons door als nu, nu haar klassieke Grieks door Gerard Koolschijn in zulk sterk Nederlands is veranderd. En haar klachten allittereren ook niet altijd zo mooi: 'leven in het licht lokt me niet meer' - maar we begrijpen toch wel wat ze zegt.

Iedereen kan op een dag Hekabe zijn. “En dan slaan we ons nog op de borst, de één in zijn dure woning, de ander omdat hij bij het volk in aanzien staat. Maar het is niets. Hersenspinsels, pochen van de tong. Een mens is het gelukkigst als hem van dag tot dag niets ernstigs overkomt.” Er valt eindeloos uit deze stukken te citeren, zelden lees je iets waarin elke zin door zijn formulering zo waar lijkt, zo onontkoombaar.

Behalve de goden zijn er natuurlijk nog andere schuldigen aan te wijzen, en vooral één schuldige: Helena, 'de afschuwelijke vrouw van de Griek Menelaos'. Zij, met haar onweerstaanbare schoonheid is de oorzaak van alle ellende. Er is niemand die een goed woord voor haar over heeft. De Trojanen niet, want die geven er haar de schuld van dat hun stad is verwoest en de Grieken evenmin, want die houden haar verantwoordelijk voor de hele lange oorlog waarin zoveel doden zijn gevallen. Het koor van Trojaanse vrouwen praat met afschuw over haar en wenst haar alle kwaad, Hekabe noemt haar een 'walgelijk schepsel', haar echtgenoot Menelaos die er een oorlog voor over had om haar terug te krijgen heeft nu een zo dodelijke afschuw van haar dat hij zelfs haar naam niet meer wil uitspreken.

In Trojaanse vrouwen mag Helena zelf wat terug zeggen, en dan blijkt dat ook Gerard Koolschijn een hekel aan haar heeft, want hij legt haar de volgende woorden in de mond: 'Al weet ik best wel dat je een afschuw van me hebt'. 'Best wel'. Een gemene streek. Zo kan men iedereen in een onnozele gans veranderen.

Het is vergaand oneerlijk en onrechtvaardig, die haat tegen Helena, want het is tenslotte haar schuld niet, al die doden, al die verwoesting. Zíj nam nimmer de wapens op en heeft ook niemand anders gevraagd om dat te doen. Dat waren de mannen, de mannen die ook in deze stukken weer voortdurend weten te vertellen dat vrouwen niets kunnen en zwak, dwaas en vreselijk zijn. Nee, dan zij.

Helena's enige misdaad is dat ze verliefd werd op Paris. 'Zodra je hem aankeek (-) verloor je van begeerte je bezinning', zegt Hekabe kwaad tegen haar. Ja, en het was wederzijds ook. Zoiets hoort natuurlijk niet, maar een vreselijke misdaad is het toch ook weer niet. Bovendien heeft Agamemnon in de loop van de oorlog al vele keren zijn bezinning verloren van begeerte, zijn hele ruzie met Achilles die de Grieken nog bijna de overwinning had gekost (was het maar waar geweest) ging over de begeerte voor een vrouw - maar niemand die hem dat verwijt. Maar Helena's verliefdheid is een schande: 'Ik walg van iemand die haar eerste echtgenoot voor een nieuw bed verwerpt en van een ander houdt', zegt Andromache, de weduwe van Hektor die zich vast voorneemt om nooit meer iets aan een man te vinden.

Waarom zou Paris trouwens niet de schuld van alle ellende zijn? Dat is voor Hekabe natuurlijk een minder aantrekkelijke gedachte, want Paris is haar eigen zoon. Maar er schuilt beslist vrouwenhaat in die eeuwige beschuldiging van Helena, die er verantwoordelijk voor wordt gesteld dat alle mannen door het dolle raken als ze haar zien - 'want met haar mooie ogen heeft ze het rijke Troje schandelijk vernietigd'. Mooie ogen zijn niet dodelijk.

Het is maar een van de vele kwesties in deze stukken die in de eerste plaats over de slagen van het lot en het onduldbare verdriet van Hekabe gaan. Over het onduldbare verdriet van iedereen die door de grote onbegrijpelijke bewegingen van de wereld onder de voet gelopen wordt. Hoe Hekabe zichzelf ook toespreekt - 'Het lot neemt een wending, verdraag het' - het is niet te verdragen. Toen niet, nu niet. Maar de vorm die Euripides eraan gaf maakt het mogelijk om ernaar te kijken, erover te denken, de woorden in het hoofd te bewaren - alleen de goden weten waarvoor.