Liefdesgewoonten na de Spaanse Burgeroorlog; Amalgaam van literaire genres in roman van Carmen Martín Gaite

Carmen Martín Gaite: De achterkamer (El cuarto de atrás). Vert. Francine Mendelaar en Harriët Peteri. Uitg. Arena, 178 blz. Prijs ƒ 34,90.

Carmen Martín Gaite is een van de best verkopende Spaanse auteurs van dit moment. Dat succes kwam pas laat in haar carrière, met de in het begin van de jaren negentig verschenen roman Nubosidad variable, die twee jaar geleden al onder de titel Spaanse vrouwen, bewolkte luchten in het Nederlands verscheen. Een omvangrijk oeuvre van romans, verhalen, essays, historische werken en kinderboeken ging daaraan vooraf en dat oeuvre breidt zich nog steeds uit. Sinds Nubosidad variable publiceerde de nu zeventigjarige auteur al weer twee romans, een essayboek en een bundel verzamelde verhalen.

De nu vertaalde vertelling De achterkamer neemt in dat geheel een bijzondere plaats in. Allereerst omdat het boek moeilijk bij een genre valt in te delen. Het heeft alles van een autobiografie, maar is geschreven als een fantastisch verhaal. Het vermengt herinneringen met overpeinzingen over literatuur, politiek met de meest alledaagse beslommeringen (vooral van vrouwen), en emotionele ontboezemingen met flarden Spaanse geschiedenis. Dat alles loopt op zo'n vloeiende wijze in elkaar over dat nergens een geforceerde wending of stijlbreuk de sprookjesachtige vertelling verstoort.

Carmen Martín Gaite begon haar boek in november 1975, het moment van Franco's dood. In De achterkamer vertelt ze zelf hoe ze op dat ogenblik het gevoel had dat de tijd, die veertig jaar lang onder het bewegingloze Franco-regime had stilgestaan, opnieuw in beweging kwam. En tegelijk wist ze dat ze die tussenliggende periode, die nu definitief voorbij was, moest vastleggen. Niet in haar officiële data en gebeurtenissen, maar in de geur en smaak van het dagelijks leven dat dit regime met zich mee had gebracht.

Want het Franquisme bepaalde het hele bestaan, vanaf de zuinigheid van de naoorlogse tijd (die tot ver in de jaren zestig zou duren), tot in de liedjes die op de radio gezongen werden en de wijze waarop jongens en meisjes met elkaar geacht werden om te gaan. Vooral over dat laatste wilde ze schrijven. Over de zoetsappige moraal van de meisjesromannetjes en de schande die het was ongehuwd te blijven. Over de teksten van de coplas uit die tijd, die met hun versluierde sensualiteit heel even een andere wereld lieten zien dan die van de goed opgevoede burgerdochter. En over de papillotten die werden ingezet met stukjes wc-papier en die beter waren dan de krultang omdat ze het haar niet schroeiden.

Dat had ze allemaal meegemaakt en dat moest verteld worden in 1975, het jaar waarin zij zelf vijftig werd. Het zou een boek worden over Liefdesgewoonten na de Spaanse Burgeroorlog. Al eerder had ze een boek geschreven over liefdesgewoonten in de achttiende eeuw: een historische studie waarop ze gepromoveerde.

Maar het werk traineerde en in plaats van die historische studie ontstond een ander, veel persoonlijker boek, dat niet alleen die herinneringen ophaalt, maar ook vertelt van het onvermogen om daaraan op papier vorm te geven. Het boek begint in verwarring, op een avond in mei, bij de schrijfster thuis. Er hangt een prent aan de muur van Luther, converserend met de Duivel; er liggen een paar pagina's manuscript op tafel en van onder een naaimand komt een boek tevoorschijn van de Frans-Roemeense literatuurtheoreticus Tzvetan Todorov: Introductie tot de fantastische literatuur.

Al die elementen komen terug in de daaropvolgende hoofdstukken, wanneer de schrijfster is ingeslapen en vervolgens gewekt wordt door een onverwachte bezoeker: het motief bij uitstek van de fantastische literatuur. De bezoeker is een in het zwart geklede journalist die haar wil interviewen en een nacht lang haar muze wordt. Hij weet meer van haar dan zij weet. Hij bekritiseert haar heimelijke drang zich te verbergen, óók en vooral in haar boeken want, zo moet ze hem toegeven, 'literatuur is geen toevluchtsoord'. Hij maakt oude herinneringen wakker en stimuleert haar overpeinzingen.

In de loop van het boek, dat hun nachtelijke gesprek vastlegt, groeit zo vanzelf het manuscript, dat bij voltooiing De achterkamer heet. 's Ochtends is de gast verdwenen. Alleen het manuscript is er nog: een droomverhaal dat beter dan welke historische studie ook het verleden heeft herschapen.

De studie naar de Liefdesgewoonten kwam er uiteindelijk toch, maar pas in 1987. Carmen Martín Gaite kreeg er een prestigieuze essayprijs voor en stond er maandenlang mee in de toptien van best verkochte boeken. Het gaf haar de voorsmaak van het succes dat op uitbreken stond.

We mogen dankbaar zijn voor die vertraging, want die heeft een hoogtepunt in haar oeuvre opgeleverd. De achterkamer is een wonder van vernuft, dat bedrieglijk eenvoudig oogt. Pas bij herlezing blijkt hoe feilloos Carmen Martín Gaite het amalgaam van literaire genres, feit en fictie in elkaar heeft weten te schuiven. Elk spoor van nadrukkelijkheid, waardoor haar andere romans soms worden geplaagd, is er uit verdwenen. Zelf heeft zij ooit verklaard dat zij het boek schreef op een begenadigd moment, waarop het - bijna letterlijk - zichzelf schreef. Zulke boeken zijn schaars in de naoorlogse Spaanse, en waarschijnlijk in elke, literatuur. Ze zijn er des te kostbaarder om.