Lezen tijdens het aardappelschillen; Verrassende observaties in roman van Marijn Sizoo

Marijn Sizoo: Oktober, oktober. Uitg. De Bezige Bij, 331 blz. Prijs ƒ 39,50

Schijnbaar willekeurige en schijnbaar overtollige gedachten vullen de roman Oktober, oktober van Marijn Sizoo (1957). Schijnbaar: de weergave van de ongeordende denkwereld van Charlotte, de hoofdpersoon van de roman, dient er wel degelijk toe het leven van deze vrouw begrijpelijk te maken. Sizoo, die in 1990 debuteerde met de verhalenbundel Groet aan de tegenstanders, vertelt in haar roman geen lineair verhaal. Zij hanteert een innerlijke monoloog die de lezer bij stukjes en beetjes in staat stelt door te dringen tot Charlotte, die er niet in slaagt structuur in haar leven of denken aan te brengen. 'Is er nog een kans nergens aan te denken? Om te zijn waar ik ben, meer niet', vraagt ze zich af en kennelijk is dat haar enige streven. Andere ambities heeft ze niet.

Charlottes ouders zijn verongelukt toen zij nog heel jong was en samen met haar broertje is ze grootgebracht door een excentrieke grootmoeder in een groot huis aan een rivier. De grootmoeder hanteert een eigenaardige methode om haar kleindochter klaar te stomen voor het gymnasium: onder het aardappelschillen moet het kind berichten uit het avondblad voorlezen en alle woorden die ze niet kent in het woordenboek opzoeken. Halfbegrepen woorden zonder context leveren teksten zonder samenhang op en precies zo zien Charlottes gedachten eruit. Ze komen nergens vandaan en leiden nergens naar toe. Uit haar overpeinzingen valt slechts op te maken dat ze haar grote liefde, na twee jaar samenwonen, tegen diens wil heeft verlaten. Waarom wordt niet duidelijk. Zij weet alleen dat ze er niet in is geslaagd de vinger te leggen op datgene wat zijn gedachten met elkaar verbindt. Het gevoel de kern van alles te missen, zo lijkt Sizoo te willen zeggen, maakt zelfs de liefde zinloos.

Charlottes verhaal intrigeert door de manier waarop het wordt verteld, nu eens in afgewogen directe zinnen, dan weer in rommelige denkflarden of in lyrische taal, al naar gelang de stemming van de ik-figuur. Maar het meest bijzondere is dat Sizoo griezelig precies weet weer te geven hoe gedachten kunnen ontstaan, geformuleerd worden en vervolgens, los van iedere context, een eigen leven gaan leiden.

Charlotte is in haar element als ze niet bewust hoeft na te denken, maar vrijelijk kan associëren, bijvoorbeeld naar aanleiding van een doormidden gescheurde pasfoto, een afgestempelde buskaart die ze in de goot vindt, een half geschreven ansichtkaart op een schoorsteenmantel, of een kromgebogen haarspeld op het voetpad. Aan de hand van waardeloze voorwerpen die ze dwangmatig verzamelt, ontstaan er romans in haar hoofd met personages wier gangen ze nagaat en op wie ze aanzienlijk meer vat heeft dan op de werkelijkheid en de personen die ze daarin aantreft. Op het moment dat ze ophoudt nutteloze voorwerpen of verregende papiertjes op te rapen en besluit zich voortaan tot de realiteit te bepalen, houdt haar (innerlijk) leven op interessant te zijn.

Op dit punt aangeland maakt de roman een voltooide indruk, maar Sizoo vond het nodig er ter afronding nog ruim 150 pagina's aan toe te voegen. Dit tweede deel gaat ogenschijnlijk over de dochter van Charlotte, Marthe, die in alles het tegendeel is van haar moeder. Marthe is pragmatisch, denkt in termen van heden, verleden en toekomst en geeft haar leven structuur door middel van haar werk als juriste en door het zoeken naar een geschikte levenspartner. Marthe is van een ergerlijke saaiheid. Hoewel ze logisch kan denken, gebeurt er nooit iets boeiends in haar hoofd.

Bij eerste lezing van het tweede deel van Oktober, oktober (de titel slaat op het feit dat zowel moeder als dochter zich in die herfstmaand tot de volwassenheid bekeren) begreep ik aanvankelijk niet waar het toe diende. Het verhaal van Marthe doet afbreuk aan de spanning die in het eerste deel met minieme middelen wordt opgeroepen en behelst weinig anders dan een uit de hand gelopen epiloog.

Teruglezend denk ik dat de geschiedenis van de dochter - eveneens voornamelijk geschreven als monologue interieur - bedoeld is om Charlotte reliëf te geven. Uit het bestaan van de dochter blijkt dat Charlotte na haar eerste liefde niet alleen fantaseerde, maar ook nog een betrekkelijk normaal leven moet hebben geleid: ze is getrouwd geweest met een architect, ze heeft een baan gehad, twee kinderen gekregen en vriendschappen onderhouden. Zulke feiten komen terloops ter sprake, als om te onderstrepen dat de realiteit voor Sizoos hoofdpersoon het laatste is wat er toe doet.

Op het moment dat Marthe haar eigen zouteloze verhaal vertelt, reist Charlotte door Zweden. Ze stuurt haar dochter een brief met het verzoek om het huis dat ze zojuist heeft verkocht leeg te halen. Marthe doet wat haar gevraagd wordt, maar treft niets anders aan dan dozen en vuilniszakken gevuld met beduimelde, vieze papiertjes: bonnen, oude buskaarten, een stukje pasfoto waar niet meer dan een schouder opstaat, een kromgebogen haarspeld. 'De andere doos. Ik graai erin. Het heeft geen zin. De halve gang ligt vol oud vuil, ik kijk er zwetend naar. Wat moest Charlotte hiermee? En wat had ik ermee gewild? Voor haar, voor mezelf?'

Wat moet je er als lezer mee? Met het leven van een vrouw, minnares, echtgenote en moeder, dat genadeloos wordt gereduceerd tot een berg papiersnippers en andere rotzooi? De visie op de mens, onkenbaar en eenzaam, en op het leven, volkomen nutteloos, zoals die uit Oktober, oktober naar voren komt, is angstaanjagend en door Sizoo indringend verwoord. Haar verbeeldingskracht, opmerkingsgave en cynische gevoel voor humor leveren bovendien verrassend precieze observaties en scherpzinnige analyses op.

Dat neemt niet weg dat de roman te uitgesponnen is. Het tweede deel is al met al toch weinig functioneel en wat mogelijk bedoeld is als toelichting, leidt in feite slechts tot uitweiding. Het lijkt erop dat Sizoo net als haar Charlotte verslaafd is aan toevallige vondsten en niet kan nalaten om daar, zonder er structuur in aan te brengen, eindeloos over door te fantaseren.

UIT: MARIJN SIZOO, OKTOBER, OKTOBER

Ik dacht dat ik het voorgoed had afgeleerd voornamelijk naar de grond te staren als ik buiten ben. Maar de laatste tijd drijven op de bodem van mijn blikveld dingen die mensen vergeten, weggooien, verliezen. Papiertjes (zo iemand als de fietser met het goede pak, is hij slordig, eigenlijk, of juist niet?), een oorbel, knopen, theaterkaartjes, centen, balpennen.

Het is te gemakkelijk te denken dat ze die dingen zomaar uit hun handen laten vallen. De vrouw die ik gisteren in mijn lunchpauze zag, liet de losgegleden haarspeld waarmee ze al pratend streepjes naast haar koffiekopje trok, niet op tafel achter omdat ze hem vergat. Ze wilde iemand anders worden.