Italianen in België herdenken mijnramp

MARCINELLE, 9 AUG. “Buon giorno, ça va?” Op het kerkplein van het Waalse Marcinelle werd gisteren Italiaans en Frans door elkaar gesproken. Vrouwen in het zwart, kinderen die Angelo of Monica heten, mannen in pak: ze hadden zich massaal verzameld in het voormalig mijnwerkersstadje bij Charleroi. Over het plein werd een Mariabeeld gedragen. Voor de kerkdeur wachtte een rij mannen in overall, een lantaarn aan hun brede riem en grijze haren onder een helm.

In de kerk werd een herdenkingsdienst gehouden voor de 262 mijnwerkers die precies veertig jaar geleden omkwamen bij de grootste mijnramp ooit in België. Honderden meters onder de grond was brand uitgebroken en de kompels zaten in een afschuwelijke val. Meer dan de helft van de gisteren herdachte slachtoffers was afkomstig uit Italië. Zoals duizenden landgenoten waren ze eind jaren veertig, begin jaren vijftig naar het noorden getrokken om aan de werkloosheid te ontsnappen. Nog altijd vormen Italianen met bijna 300.000 de grootste groep buitenlanders in België.

Mario Ziccardi, een van de oud-mijnwerkers voor de kerk, kwam in december 1954 als achttienjarige naar Marcinelle. De kleine man, de handen stijf gevouwen, vertelt hoe hij bij toeval is ontsnapt aan de ramp in de steenkolenmijn Bois du Cazier. Drie dagen tevoren was hij naar Italië vertrokken voor zijn huwelijk. Maar veel vrienden kwamen om. Ziccardi huilt een beetje. “Vandaag is een rouwdag.”

Applaus klinkt als koningin Fabiola als eerste de kerk uitkomt. Haar drie jaar geleden overleden echtgenoot, koning Boudewijn, was vlak na de ramp in Marcinelle. “Hij was echt aangedaan”, herinnert zich de zeventigjarige Silvio di Luzio, een van de nog levende reddingswerkers die gisteren met de weduwen het gevolg van de koningin vormden. Di Luzio vertelt dat hij en zijn collega's dagen- en nachtenlang werkten om overlevenden naar boven te halen, terwijl voor de hekken van de mijn wanhopige familieleden op nieuws wachtten. “We hadden opdracht ons alleen te bekommeren om overlevenden en de doden te laten liggen. Afschuwelijk, wat we zagen. Het einde van de wereld.” Slechts zes mijnwerkers werden gered. Na de ramp verliet Di Luzio de mijnen. Niet hijzelf, maar zijn vrouw wilde dat. “In de staalfabriek waar ik ging werken, kon ik niet wennen. Ik miste de mijn.”

Even na twaalven, als in café Le Cazier het bier al rijkelijk vloeit, trekt de herdenkingsstoet naar de overblijfselen van de rampmijn die in 1967 definitief werd gesloten. De ijzeren mijnschachten staan er nog, net als het schachtgebouw zonder ramen, dat in bezit is genomen door duiven. Met de vereniging van ex-mijnwerkers verzette Silvio di Luzio zich tegen plannen om een supermarkt te vestigen op het terrein. Ze ijverden ervoor dat de verlaten mijn een monument werd. “Nu komen er expositieruimten en een wandelroute. Het wordt mooi, maar ik zal het niet meemaken”, aldus de ex-mijnwerker die kampt met stoflongen.

Na de ramp in Marcinelle zette de Italiaanse regering, die al eerder had aangedrongen op betere veiligheidsmaatregelen in de mijnen, de emigratie naar België stop. Ze schortte een contract op uit 1946, dat bepaalde dat 50.000 Italiaanse arbeiders naar België zouden gaan in ruil voor zo'n 3 miljoen ton steenkool tegen een gunstige prijs. “Het akkoord was toen niet algemeen bekend, maar later zouden mijnwerkers zeggen dat ze verkocht zijn voor kolen”, aldus journaliste Maria Laura Franciosi, die zo'n honderd mijnwerkers interviewde in Voor een zak steenkolen, dat later dit jaar verschijnt. België had een tekort aan mijnwerkers omdat het geboortecijfer daalde en Walen het ongezonde werk niet meer wilden doen. Aanvankelijk werden Vlamingen ingezet en vlak na de Tweede Wereldoorlog krijgsgevangenen, maar na 1946 werkten er veel Italianen in de mijnen. Ze kwamen uit streken als Abruzzi en Sicilië, waar de armoede groot was.

Om mijnwerkers te ronselen werden in Italië affiches verspreid die het werk aanprezen als “interessantissimo”. Dat het om werk onder de grond ging, werd niet vermeld. Niet alleen hadden de meeste Italiaanse immigranten geen idee hoe een mijn er uit zag, ze spraken ook geen woord Frans. “Een ex-mijnwerker vertelde dat hij aanvankelijk leefde op chocola”, aldus Franciosi. “Dat was het enige wat hij bij de kruidenier kon krijgen zonder te vragen.” De Italianen werden gehuisvest in barakkenkampen, cantines des Italiens genoemd, die eerder gebruikt waren voor krijgsgevangenen. Na aankomst moesten ze niet alleen hun reis terugbetalen, vertelt Franciosi, ze moesten ook hun materiaal kopen: kleding, houweel, helm. “Alleen hun lamp kregen ze van de mijn.”

Silvio di Luzio was negentien toen hij in 1946 in België kwam. “Het einde van de wereld”, vertelt hij met zwaar Italiaans accent. “Het tegendeel van wat was beloofd. We zouden rijk worden en met een mooi Belgisch meisje trouwen. Maar de huisvesting was vreselijk en we kregen niet genoeg te eten.” Ook Mario Ziccardi had het moeilijk. “Het werk was zwaar en we werden uitgemaakt voor macaroni.” Ziccardi had zo'n heimwee dat hij na een jaar terugging naar zijn geboortedorp in Abruzzi. Maar omdat hij daar geen werk vond, kwam hij weer naar de Waalse mijnen. Net als Ziccardi gingen vele Italianen snel terug: in 1946 zo'n drieduizend op de 25.000. “Volgens hun contract moesten ze ten minste een jaar in de mijn werken, anders werden ze twee jaar in de cel gezet”, zegt Franciosi. Toen deze bepaling in 1948 werd geschrapt, keerden zelfs zestienduizend Italianen terug. Anderen bleven en lieten hun gezin overkomen. Ze moesten wel kunnen aantonen dat ze een woning hadden.

Na de ramp in Marcinelle kwamen er veel minder Italianen naar de mijnstreken. België sloot nieuwe verdragen met Spanje, Griekenland, Turkije en Marokko. Maar volgens Franciosi luidde 'la catastrophe' het einde in van de Belgische mijnen. “Er werden veel verbeteringen doorgevoerd om de veiligheid te vergroten, maar die kostten ook veel geld.” Vanaf de jaren zeventig sloot de ene mijn na de andere. Toen de mijnen sloten, kwamen de Italianen terecht in de staalindustrie of ze openden restaurants, bouwbedrijven of garages. De tweede generatie weet zich op te werken tot bekende Belg, zoals vice-premier Elio di Rupo, voetballer Enzo Scifo en de zangers Salvatore Adamo en Sandra Kim.

Ondanks hun vaak moeilijke start, zijn de Italiaanse emigranten volgens Franciosi nu zeer gehecht aan België. “Vaak zeiden ze me: Ik moet België bedanken.” Velen bleven er na hun pensionering wonen, vooral in de vroegere mijnstreken. Maar ook in de Brusselse telefoongids wemelt het van namen als Castelli, Mancini of Palmeri. Silvio di Luzio voelt zich na vijftig jaar meer gehecht aan België dan aan Italië. Wel gaat hij ieder jaar enkele weken naar Abruzzi om zijn familie te bezoeken. Hij is niet de enige. In de zomermaanden vertrekt wekelijks de 'Sicilië-expres' vanaf het station van Mons richting zuiden. Maar de heimwee wordt minder. Vroeger gingen er verscheidene treinen per week, nu is er maar één met vooral vijftig-plussers. De tweede en derde generatie gaat niet meer, zoals Ziccardi, naar Italië om te trouwen en sommigen geven zelfs hun Italiaanse nationaliteit op. Zowel de zoon als de dochter van Di Luzio is getrouwd met een Belg en genaturaliseerd. “Nu ben ik in huis de vreemdeling”, lacht hij.