Het middeleeuwse privé-museum; Indrukwekkende verzameling patentoplossingen

Robert W. Scheller: Exemplum; Model-Book Drawings and the Practice of Artistic Transmission in the Middle Ages (ca.900 - ca.1470), Uitg. University Press, Prijs: ƒ 160,-.

Al eeuwenlang beschikt bijna elke beeldend kunstenaar over zijn eigen privé-museum. Zo'n musée is verre van imaginaire, het is een verzameling 'plaatjes': prenten, later foto's, illustraties in boeken en tijdschriften en nu ook de per computer overgebrachte beelden. Het is de handvoorraad waaruit hij inspiratie put, of anders gezegd, die hij naar believen plundert om tot nieuwe beelden te komen.

Vóór de uitvinding van de prent, dus in de Middeleeuwen, was het aanleggen van zo'n verzameling geen sinecure, terwijl juist toen de kunstenaar het liefst te rade ging bij kant-en-klare voorbeelden. Niet gehinderd door het gebod van getrouwe natuurweergave noch door dat van originaliteit, hield hij zich vast aan wat reeds gemaakt was.

Een van de intermediairs tussen het ene middeleeuwse kunstwerk en het andere was het getekende voorbeeld, waarmee dus niet de getekende voorstudie voor een kunstwerk in het bijzonder is bedoeld. De voorbeelden waren 'patentoplossingen' voor heiligen met hun attributen, koppen, figuren in verschillende houdingen, dieren en ornamenten, kortom alles wat een boekverluchter, schilder, beeldsnijder, glazenier of zilversmid goed kon gebruiken. Zulke codificatie van voorbeelden lijkt zowel een uitvloeisel van als een voorwaarde voor de langzame stijlontwikkeling in de Middeleeuwen.

Soms werd het voor de werkplaats bestemde voorbeeldmateriaal gebundeld in een boek. In de onlangs verschenen studie van Robert W. Scheller Exemplum wordt uitvoerig ingegaan op de aard en functie van dergelijke, soms uit slechts enkele vellen bestaande boeken en op de rol die het voorbeeld, het exemplum, in de middeleeuwse kunst vervulde.

Het kostte mij enige moeite, dat wil zeggen flink wat pagina's lezen, om erachter te komen dat Scheller in zijn nieuwe boek (al eerder, in 1963, publiceerde hij over dit onderwerp) óók een beredeneerde catalogus heeft opgenomen van voorbeeldenboeken uit de periode ca. 900 - ca.1470. Ze zijn het bezit van musea en bibliotheken in Amerika en Europa. Scheller heeft 36 of, met de appendix van vier 'mogelijke' Byzantijnse voorbeeldenboeken meegerekend, veertig bundels opgespoord.

De veertig van Robert Scheller moeten de overlevende zijn van een veel groter bestand. Veel is vernietigd en verloren geraakt. Maar ook bedacht de middeleeuwse kunstenaar-ambachtsman zich wel tweemaal eer hij lamsvel aan een hulpmiddel opofferde. Deed hij het toch, dan sprong hij er zuinig mee om. Als er wijzigingen noodzakelijk waren, bijvoorbeeld omdat de kledingmode van de figuren al te zeer was verouderd, schraapte hij de exempels of modellen gedeeltelijk af en werkte ze bij. Aan veel andere voorbeeldtekeningen werd zelfs deze kans om - als sporen in een palimpsest - voort te leven, onthouden. Ze werden volledig van het perkament weggeschraapt (ausradiert) en verdwenen 'into thin air'.

Vele voorbeelden, om van directe voorstudies nog maar te zwijgen, hebben het perkament of papier, waarvan de fabricage pas in de vijftiende eeuw goed op gang kwam, nooit bereikt. Ze kwamen niet verder dan het wastablet. Nadat ze daar hun voorbeeldige plicht hadden gedaan, werden ze uitgewist. De tabula rasa was daarna gereed om nieuwe, kortstondige beelden op te nemen. Misschien is er een voorgeborchte waarin alle afgedankte beelden als schimmen mogen ronddolen.

Elk van de veertig boeken is door Scheller uitvoerig beschreven en stilistisch geanalyseerd. Hij beschrijft omstandig de materiële toestand, de voorstellingen, en gaat in op de literatuur die er reeds over verschenen is.

Van veel van deze boeken is moeilijk te bewijzen dat ze daadwerkelijk voorbeeldenboeken zijn geweest, zelfs als de verhaalloosheid en heterogeniteit van de voorstellingen sterk in die richting wijzen. Indien een kopie opduikt die ogenschijnlijk naar een van de voorbeelden teruggrijpt, geeft dit al evenmin uitsluitsel. De kopie kan immers net zo goed teruggaan op een onbekend 'origineel' dat, direct of indirect, ook het voorbeeld van het 'voorbeeld' is geweest.

Niettemin staat vast dat een aantal van de door Scheller onderzochte voorbeeldenboeken ook als zodanig is benut. Dit wordt ondermeer aangetoond door zichtbare materiële sporen, zoals gaatjes of nagetrokken contouren, wat impliceert dat het voorbeeld werd 'doorgeprikt' of doorgedrukt op een onderlegger, wat natuurlijk nog niets zegt over het tijdstip van overname. De ouderdom van gaatjes is, zoals Scheller laconiek opmerkt, moeilijk te bepalen.

Ook kon met behulp van dun, doorzichtig perkament en, later, papier de tekening worden overgetrokken, wat logischerwijs betekent dat daarna, op een andere ondergrond, ook nog een van de twee eerder genoemde methodes moet zijn toegepast. Al deze procédés van '1 op 1'- overname werden nog lang na de middeleeuwen toegepast. De overtrek met behulp van transparant papier is zelfs nu nog in zwang bij architecten die trouwens ook met hun schablonen en kant-en-klare oplossingen voor bomen en mensenfiguren in representatie-tekeningen middeleeuwse trekjes hebben behouden.

Zoals zo vaak in de middeleeuwse kunstgeschiedenis, blijven in Exemplum veel vragen onbeantwoord. Zijn de voorbeelden in sommige boeken 'inventies' van de desbetreffende, vaak anonieme samensteller of zijn ze, wat waarschijnlijker is, ontleend aan werk van anderen? Scheller moet vaak het antwoord schuldig blijven. En wat is bijvoorbeeld de status van het beroemde manuscript van Villard de Honnecourt (ca.1215-40; Scheller-catalogus nr.14). Is deze verzameling aantekeningen in tekst en beeld, die ondermeer op archiectuur betrekking hebben, een voorbeeldenboek? Niemand kan het zeggen, en Villard de Honnecourt nog wel het allerminst. Het staat zelfs niet vast of deze 13de-eeuwer een bouwmeester was.

Scheller is terecht zeer voorzichtig met z'n conclusies. In zijn studie met lijvig notenapparaat - een gedegen academisch handboek - wemelt het van alle mogelijke vormen van voorbehoud. Vaak somt hij de verschillende interpretaties van andere auteurs op, waarbij hij slechts enige kanttekeningen plaatst. De lezer komt in de luxueuze positie te verkeren zelf het oordeel te mogen vellen.