Gezonde uitstapjes in Toscane

Toscane. Laten we er van profiteren, zolang we hier nog wonen. Vooruit, iedere week een uitje.

Dagje Florence. We gaan niet met de auto, maar met de bus. Rustgevend, en beter voor het milieu. Eerst een krantje kopen. Eenmaal in de bus, krantje open:

'Florence: vandaag gedeeltelijk verkeersverbod'

'De enorme luchtvervuiling overschrijdt veiligheidsnormen'

We kijken elkaar aan. Ons dagje uit. De bus rijdt al.

Een uur later staan we op de Piazzale Michelangelo. Het beroemde uitzicht over een van de mooiste steden van de wereld is adembenemender dan ooit. Het grijpt je naar de keel, het prikkelt in je neus.

Een toeristenbus komt aanrijden en lost een bosje Japanse meisjes. Ze snellen naar de balustrade en fotograferen elkaar. Voor een beeldschoon decor onder een bruingrijze deken. Daar zit de ontwikkelaar al in.

Fietsen rond San Gimignano. We starten vanaf het huis van een sympathieke wijnboer. Heuvel op, heuvel af. Prachtig, wat een uitzichten! En dat mooie beekje, daar in de diepte, daar moeten we straks overheen. Als we zijn afgedaald, blijkt het een expeditie-achtige oversteek te gaan worden. Balancerend op stenen, geven we de fietsen door. Het is er stil. En het stinkt. Het water is vuilwit. Het lijkt zelfs dikker dan normaal, zo omfloerst kabbelt het tussen de stenen door. Het schuim op de oppervlakte glijdt voorbij.

We vertellen het de jonge wijnmaker.

'Ja', zegt hij, 'daar loost San Gimignano op.'

Onze ogen zijn groot.

'Zomaar? Direct?'

De mooie wijnman lacht verlegen. 'Eh, sì'.

Zijn ogen zijn reebruin, zijn tanden zwart.

Wandelen bij het Trasimeense Meer. Veel Italianen zijn jagers, dat wisten we al. Althans, een soort van. Wandelen is daardoor in het, langdurige, jachtseizoen een zeer avontuurlijke activiteit.

Monter stappen we voort op de wandelroute die de regio Umbrië zo mooi heeft uitgezet. En wat is het heerlijk w 'BENG!'.

Tot op vandaag is de loden hagel in totaal twee keer tot binnen tien meter van ons doorgedrongen. Na vandaag staan we op vijf.

Niet uit, maar thuis. Ik kijk uit het raam. Links braakt een meubelfabriekje giftige rookwolken uit, rechts het paradijs. Beneden, in de moestuin, komt de knoflook op. Jonge scheuten temidden van verontreinigde as, daar gedeponeerd door de buurman. Met zorg. Dat heeft hij geleerd van zijn vader. Die verspreidde ook altijd de as op het land, maar die had niets giftigs om in het vuur te gooien. Zijn zoon wel. En hij doet het, wat we ook zeggen. Hij maakt er zich geen zorgen over. Ook niet over de jagers, hij is er zelf een. 'Ach', zegt-ie, 'zolang je de kogels hoort is er niks aan de hand. Dan leef je nog'.