Expeditie in een bruilofstauto

Eigenlijk had Margriet de Moor zich voorgenomen 'Heft hoog de nokbalk, timmerlieden en Seymour, een introductie' van J.D. Salinger 'snel en koel' door te werken. Maar: “'Heft hoog de nokbalk' tikte mij door zijn voortreffelijke schoonheid zowel moreel als literair op de vingers'.” Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

J.D. Salinger: Heft hoog de nokbalk, timmerlieden en Seymour, een introductie. Uitg. De Bezige Bij, 202 blz. Prijs ƒ 14,90 bij Van Gennep.

Juweel van een boek gelezen, ik ben weer eens gered.

Niets is zo funest voor een lezer als het schrijven van een roman. Totaal geoccupeerd door de personages die zich onder je handen een weg door de pagina's banen, scherm je je af voor indringers. Geen nieuwe boeken. De geestelijke en lichamelijke staat waarin je als lezer zo gelukkig placht te verkeren, is een slagje gedraaid, op zich niet erg, maar wat de boeken betreft sta je droog.

Toen ik vorige week, na het zetten van de befaamde laatste punt, bij Van Gennep binnenliep, was ik als een alcoholist die na een ontwenningskuur de slijter weer eens aandoet. Wat moet je zo gauw nemen? Een geliefd oud merk? Iets nieuws? De boekhandel is royaler dan de slijterij. De klandizie mag vast een beetje lurken. Ik nam een boek van een schrijver van wie ik houd, J.D. Salinger, sloeg het vooraan open en was weg, onmiddellijk, toen ik de opdracht las. Opdrachten zijn autobiografische dingen die de lezer per definitie buitensluiten. Maar deze nu eens niet: 'Als er nog een lezer op de wereld over is die voor zijn plezier leest - of iemand die gewoon links en rechts wat doorkijkt - vraag ik hem of haar, met onuitsprekelijke genegenheid en dankbaarheid, de opdracht van dit boek te delen met mijn vrouw en twee kinderen.'

Het boek dus in allerpersoonlijkste zin op mijzelf betrekkend, begon ik ter plaatse aan het verhaal, dat opent met twee broers van vijftien en zeventien jaar, die 's nachts hun zusje van tien maanden op de kamer krijgen. Als de baby gaat huilen, komt Seymour, de oudste van de twee broers, op het idee haar iets voor te lezen. Hij kiest een geschiedenis uit de Tao over het zoeken naar een paard. (Het zusje zou haar leven lang volhouden nog te weten dat Seymour haar toen voorlas. Ik geloof haar.)

Vandaag, zondag, heb ik Heft hoog de nokbalk, timmerlieden en Seymour, een introductie (1963) van Salinger uitgelezen, dat wil zeggen, het eerste van dit uit twee delen bestaande boek. Ondanks mijn ontroering om de aan mij persoonlijk gerichte opdracht van de schrijver was ik van plan het snel en koel door te werken, wegens het stukje dat ik erover moest schrijven. Een mens is een dubbelhartig wezen. Deze snoodheid ging mooi niet door. Heft hoog de nokbalk, timmerlieden en Seymour, een introductie tikte mij door zijn voortreffelijke schoonheid zowel moreel als literair op de vingers en hield mij aan de afspraak voor mijn plezier te lezen.

Waar gaat het over? Over Seymour, een jonge Amerikaan die zijn zusje uit de Tao voorlas. Het eerste deel van het boek is een verslag van een bruiloft in New York 1942, met als verrukkelijke hoofdpersoon de bruidegom Seymour, die niet op komt dagen. Is een afwezige hoofdpersoon altijd al mooi, in dit geval snijdt hij je door je ziel, want de jongere broer door wiens ogen en vooral door wiens hart je Seymour waarneemt, onthult al direct dat de bruidegom in 1948, tijdens een vakantie met zijn vrouw in Florida, zelfmoord zal plegen.

Ter zake. Vijf van de feestgangers druipen af in een bruiloftsauto, onder hen de broer van de bruidegom die pas na een tijd door een jonge vrouw, de getuige van de bruid, als zodanig wordt herkend. Het is heet. Benauwd. Op Madison Avenue is een verkeersopstopping. Als bij een oerwoudexpeditie komen de vijf personen versneld in een intieme betrekking tot elkaar. Dat Seymour over de tong gaat, spreekt vanzelf. Vooral de getuige van de bruid maakt hem op een hartverwarmende manier zwart. Waarschijnlijk begint ze, naarmate haar geroddel vordert, net zo hartstochtelijk veel van hem te houden als de bruid, de broer en de lezer. Dit is theater, dacht ik. Als ik voor theater zou schrijven, zou ik het zo aanpakken. Een dwingende locatie, personages die geen stap voor wie dan ook opzij gaan en een handeling die zich prijsgeeft via een dialoog waar een mens puur vrolijk en gelukkig van wordt, maar die in werkelijkheid tragisch is.

Want dit boek gaat over een verloren broer. Het eerste deel in de vorm van een slapstick, het tweede - Seymour, een introductie - in de vorm van een opstel. Maar ik kén deze bruidegom, dacht ik onmiddellijk aan het begin, en dat was ook zo. Ik had zijn dood al lang geleden gelezen. Ik had in 'Een perfecte dag voor bananevis' uit Negen verhalen (1953) al gelezen hoe Seymour het pistool aan zijn slaap zette. Nee, lezer, over het tweede deel, het opstel, begin ik nu niet tegen u, ik heb het namelijk laten liggen, het nog ongelezen weggelegd voor een rustig uur, toen ik, bladerend, de alinea tegenkwam waarin Salinger toegeeft dat er zelden een tijd is geweest dat hij níet over zijn dode schreef, en dat als hij onder bedreiging van een vuurwapen gedwongen zou worden als onderwerp bijvoorbeeld een dinosaurus te nemen, hij 'die grote knaap onwillekeurig een paar trekjes zou meegeven die aan Seymour deden denken - de opvallend innemende manier waarop hij de top van een Canadese den afbijt, bijvoorbeeld, of kwispelt met zijn tien meter lange staart.'

Onder het schrijven merk je vaak dat alles wat je in het echt meemaakt, dus ook wat je leest, zich op de een of andere manier in je werk voegt. Het zijn de gelukkige schrijversmomenten, waarop je weet dat je goed zit. Mijn boek is af, maar mijn stemming - ik kan het ook niet helpen - nog niet voorbij. Het volgend fragment uit het Taoverhaal dat Seymour aan zijn zusje voorlas, zou, als verbinding tussen mijn opdracht en verhaal, een volmaakt citaat zijn.

'Een goed paard kan worden geselecteerd aan de hand van zijn bouw en voorkomen. Maar het superieure paard - het paard dat geen stof opwerpt en geen sporen achterlaat - is iets vluchtigs en vergankelijks, ongrijpbaar als de ijle lucht.'