Euro-geestdrift en scepsis hebben vele gezichten

De Nederlanders hebben ernstige twijfels ontwikkeld over de Europese integratie en de politici zijn zich daarvan niet bewust. Dat was de uitkomst onlangs van een door de Amsterdamse Universiteit verricht onderzoek naar de bekendheid met de Europese instituties en regelgeving hier te lande en het verlangen naar of het verzet tegen verdere Europese eenwording, ten koste van, zo was de aanname, de vaderlandse identiteit.

In een begeleidend artikel van een van de onderzoekers in deze krant werd gesteld dat er sprake was van een democratisch gat dat naarstig moest worden gedicht.

Als de resultaten van dat onderzoek de werkelijkheid weergeven, moet er in de afgelopen paar jaar veel zijn veranderd. Uit een onderzoek dat is gegrond op de zogenoemde Euro-barometer over de tijdspanne van twintig jaar (1973-1993), komen de Nederlanders tevoorschijn als een volk dat al die tijd stabiel pro-Europees is geweest. Weliswaar doet zich hier, evenals elders, sinds het begin van de jaren negentig een lichte afkalving voor, maar de onderzoekers vatten die ontwikkeling niet als bijzonder dramatisch op.

De analyse van de resultaten van de Barometer zijn afgedrukt in het European Journal of International Relations, een tijdschrift dat vorig jaar het licht zag (Sage Publications, Londen). De onderzoekers komen tot interessante maar weinig schokkende conclusies.

Zij erkennen dat de Europese integratie lange tijd een zaak was van de elites in de aangesloten landen. En dat was heel bewust het geval. In 1958, het eerste jaar van het Verdrag van Rome, werd het standpunt gehuldigd dat het zinloos was om opinie-onderzoek naar het fenomeen van de Europese samenwerking te verrichten, zelfs onder specifieke belangengroepen. In die houding is geleidelijk verandering gekomen. En tegenwoordig worden volgens de onderzoekers de uitslagen van opiniepeilingen wel degelijk ernstig genomen door de bestuurlijke en politieke elites, Europese zowel als nationale.

De analyse is gebaseerd op de geaggregeerde reacties per lidstaat op drie vragen die hier worden samengevat. De eerste vraag luidt of de ondervraagde in het algemeen voor of tegen inspanningen is om West-Europa te verenigen, de tweede, meer specifiek, of hij voor of tegen het lidmaatschap van zijn land is of dat hij daar neutraal tegenover staat, de derde wat zijn reactie zou zijn als hem werd verteld dat de Europese Gemeenschap (de gemeenschappelijke markt) was opgeheven.

De gemeten steun toont aanzienlijke verschillen per land. Als de reacties op de drie vragen worden samengenomen deelt Nederland met Italië de tweede plaats na Luxemburg. Aan de onderkant van de tabel bevinden zich op ruime afstand Denemarken en Groot-Brittannië. In het midden houden zich, aflopend, Frankrijk, Duitsland, België en Spanje op. Op één onderdeel loopt Nederland uit de pas. Alle landen scoren opvallend 'beter' bij de beantwoording van de eerste, algemene vraag dan bij de beantwoording van de tweede over het eigen lidmaatschap. De Nederlanders blijken gradueel meer steun te geven aan het eigen lidmaatschap dan aan de Europese eenwording als zodanig.

De onderzoekers destilleren uit de Euro-barometer dat het tijdstip waarop het lidmaatschap is begonnen en de duur ervan maatgevend zijn voor de steun die de Europese integratie in een bepaald land wordt gegeven. Niet verrassend scoren de oorspronkelijke Zes het hoogst. Landen die in de loop van de jaren zeventig zijn toegetreden, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken, zijn het meest afwijzend, hoewel de Britten zich in meerderheid positief uitlaten over de Europese integratie als zodanig - zolang zij er maar geen deel van uitmaken. De in de jaren tachtig toegetreden landen bevinden zich in het midden.

De stelling dat bekend bemind maakt, onderschrijven de onderzoekers met een verwijzing naar de duur van het lidmaatschap van de oorspronkelijke Zes. Zij nemen op grond van de gunstige scores voor de Gemeenschap aan dat de burgers daar zich meer vertrouwd hebben gemaakt met de bedoelingen, de instituties en de regels van de Europese samenwerking dan in de later toegetreden landen.

Ook economische factoren spelen volgens de onderzoekers een belangrijke rol voor het verloop van de curves. Zij stellen dat inflatie en werkloosheid bepalender zijn dan economische groei, hoewel ze de 'dip' in de populariteit van het verenigd Europa midden jaren tachtig verklaren uit de algemene malaise in die tijd. De pretenties van Europa dat de gemeenschappelijke markt en de economische integratie autonoom de algemene welvaart vergroten, werken als een boemerang in tijden van sociaal-economische tegenwind. Het eigen welbevinden wordt gemeten aan de omstandigheden en ontwikkelingen in het eigen land. Maar het is de burger niet ontgaan dat er een duidelijke Europese samenhang is ontstaan. Werkloosheid wordt vertaald als: Europa komt zijn beloftes niet na.

Opvallend is dat de onderzoekers het algemeen ervaren herlevend nationalisme, althans de nieuwe hang naar het vertrouwde, niet signaleren, een ontwikkeling die een belangrijk facet vormde van het Amsterdamse onderzoek. Wel veronderstellen zij dat er een plafond is waartegen de door de jaren heen stijgende trend afvlakt. Er is kennelijk een optimum voor de populariteit van de Europese gedachte. Op dat punt wordt de invloed van negatieve factoren vermoedelijk sterker.

De vraag die niet in het onderzoek wordt beantwoord, is wat de gevolgen voor Europa's populariteit zouden zijn van verdergaande integratie of intergouvernementele samenwerking. De laatste onderzochte peilingen zijn weliswaar na 'Maastricht' gedaan waar onder meer werd besloten tot de oprichting van een Europese Economische en Monetaire Unie, maar de vraagstelling is daarop niet specifiek ingegaan. Van de Europese Unie is in de vraagstelling geen sprake, hoewel met haar de samenwerking toch een nieuwe dimensie heeft gekregen. Ook uitbreiding komt niet aan de orde.

Uit de onderscheiden scores in de barometer zou kunnen worden afgeleid dat de Europeanen de neiging vertonen de kat uit de boom te kijken. Europese integratie is goed, maar hoever het eigen land daarin moet meegaan is een andere kwestie. Dat zou steun kunnen betekenen voor een aanpak waarin sommige lidstaten verder gaan en andere pas op de plaats maken. Afgaande op de tabel van de populariteit van het eigen lidmaatschap plaatsen zich als eerste zes voor verdere integratie: Nederland, Luxemburg, Italië, België, Frankrijk en Spanje. (De laatst toegetreden landen komen in het onderzoek niet voor.)