Emily

Vorige week werd bekend dat staatssecretaris Nuis (cultuur) een subsidie-aanvraag (voor 6000 gulden) van amateurtheatergroep Toetssteen heeft afgewezen. Het onderwerp van het stuk waarvoor de subsidie was aangevraagd, is hem in het verkeerde keelgat geschoten.

Emily, of het geheim van Huis ten Bosch, van schrijver en regisseur Ger Beukenkamp, gaat volgens Toetssteen over 'de omgang van de kroonprins met een burgerjuf' en daarmee over 'de mogelijkheden en de onmogelijkheden van een erfelijke monarchie aan het einde van de 20-ste eeuw'. Zoals hij schreef in een brief aan het gezelschap is Nuis van mening dat 'het artistieke concept om een 'well made play' te maken over een onderwerp als dit een slechte keuze is. Naar mijn mening zal de indruk kunnen postvatten dat het toneelstuk op ware feiten is gebaseerd, terwijl dat niet zo is'. De staatssecretaris acht zulks 'niet gewenst (-) voor de personen die het onderwerp vormen van het stuk'.

Het is mooi dat kunst (en zelfs nog niet-vertoonde kunst) nog altijd reacties weet op te roepen. Het lijkt trouwens wel een tendens: onlangs nog protesteerde het ministerie van Defensie immers tegen het toneelstuk Srebrenica!. Tegelijkertijd is het absurd dat bewindspersonen dit soort protesten of beslissingen überhaupt overwegen, laat staan dat zij er gevolg aan geven. Dat is principieel onjuist. Nuis pleegt met zijn afwijzing weliswaar geen censuur, maar door subsidie te weigeren begeeft hij zich, gezien het positieve advies van de Raad voor Cultuur en gezien zijn motivering, in het voorportaal van de censuur.

Bovendien is het effect in dit soort gevallen altijd, dat de bestuurder zelf in zijn hemd komt te staan en de gewraakte kunstuiting, los van de kwaliteit ervan, bij voorbaat geslaagd is. In dit geval laadt Nuis ook nog eens de verdenking op zich in opdracht van Hare Majesteit te handelen, en dat is onhandig. Dat hij het persoonlijk niet erg vindt als slippendrager van de hermelijnen mantel te kijk te staan, is zijn zaak, maar als ik lid van zijn partij was (D'66), zou ik er bezwaar tegen maken.

Intrigerend zijn intussen de suggesties in Nuis' brief. Kent hij de ware feiten? Het lijkt me sterk. Heeft hij het stuk gelezen, om de historische juistheid ervan te kunnen beoordelen? En wat is er in 's hemelsnaam tegen 'de indruk (-) dat het toneelstuk op ware feiten is gebaseerd, terwijl dat niet zo is'? Sinds wanneer moet kunst zich aan de feiten houden, zelfs als zij daar gebruik van maakt?

Opmerkelijk is Nuis' impliciete definiëring van het begrip well made play. In zijn ogen is het hoofdkenmerk van een well made play kennelijk dat het op 'ware feiten' gebaseerd is. Nu is het begrip moeilijk af te bakenen, maar het verwijst hoe dan ook naar de vorm van een stuk (afgerond, zonder losse eindjes, geschreven volgens de regels der kunst, conventioneel), en niet naar de inhoud. Een well made play kan van begin tot eind fictief zijn.

Vermoedelijk gebruikt Nuis de term om de indruk te laten postvatten, dat hij weet waar hij het over heeft. Hij is een gesprekspartner van niveau. Niet dus.