Een scheef mens in Frankrijk; Tragikomisch debuut van Perry Dijkstra

Perry Dijkstra: Ik hing aan je nachtjapon. Uitg. Wereldbibliotheek, 142 blz. Prijs ƒ 29,50.

Ik hing aan je nachtjapon van Perry Dijkstra is een debuut met een lange voorgeschiedenis. Zo is het een relatief laat debuut. In de jaren zestig en zeventig was Dijkstra toneelregisseur en -auteur. In de jaren tachtig, meldt de uitgever, verhuisde de Rotterdammer naar Frankrijk om zich verder toe te leggen op toneel en poëzie. Aan zijn debuutroman zijn dus jaren van al dan niet stille schrijfarbeid vooraf gegaan. Dat is aan alles te merken. Geen woord dat de auteur is 'ontglipt'; elke zin verraadt dat Dijkstra flink - en vruchtbaar - heeft gewerkt aan een heel eigen, compacte en suggestieve taal. Samen vormen die zinnen ook een heel 'eigen' verhaal. Ik hing aan je nachtjapon is het tragikomische relaas van een Nederlandse zonderling in een Frans dorp. De zich 'een scheef mens' noemende, naamloze hoofdpersoon en verteller wordt geplaagd door een enorme steenpuist. Zijn zoektocht naar een geneesmiddel voert hem langs de kleine luiden van het dorp. Die observeert hij met een licht ontvlambare, op het absurdistische ingestelde geest: 'Mijn onvermijdelijke zinnentuimeling'.

Aanvankelijk lijken die observaties, die hij richt tot zijn dode moeder, een groteske zedenschets op te leveren van het leven in de Franse provincie. Maar geleidelijk aan wordt duidelijk dat het Dijkstra om iets anders te doen is. De 'zinnentuimeling' neemt naarmate de roman vordert de vorm aan van een koortsige nachtmerrie. En in die nachtmerrie zit - in brokstukken - het levensverhaal van de verteller verstopt. Het verhaal dat iets onthult over het waarom van zijn 'scheefheid'.

Om dat levensverhaal, dat de indruk wekt de tweede, autobiografische voorgeschiedenis van de roman te zijn, draait Ik hing aan je nachtjapon echt. Meer dan de contouren ervan krijg je niet te zien. De lezer moet het doen met een aantal herinneringen die even treurig als lachwekkend zijn. Er valt uit af te leiden dat de bron van de 'scheefheid' ergens in het Rotterdam van de oorlog ligt en bij een al te dominante en al te religieus bevlogen vader, die desondanks beschamend vaak - en lachwekkend - op zijn gezicht gaat.

De titel verwijst in dat verband naar het meest intense moment van schaamte bij de zoon. Hangend aan de japon van zijn moeder is hij er getuige van hoe zijn vader door nota bene de Duitsers wordt thuisgebracht na een mislukte zoektocht naar eten. 'Effe verwerken en dan gewoon opnieuw beginnen', krijgt de zoon te horen van een agent. De rest van zijn leven, en de rest van de roman, is er om te bewijzen dat dat makkelijker gezegd dan gedaan is.

Toch is Ik hing aan je nachtjapon geen traumaroman. Althans: hij is dat niet openlijk. Door oog te houden voor het absurdistische in zelfs de meest treurige gebeurtenis, mijdt Dijkstra consequent elke talkshow-zwaarte. De oorlogsellende, dominante vader en dode moeder ten spijt, is de roman in de eerste plaats het levensverhaal van de steenpuist op vertellers achterste. De komische incarnatie dus, van een tragisch groot onbehagen.