Driehonderd pond mannelijk schoon; Marina Tsvetajeva over twee vrienden

Marina Tsvetajeva: Levend over leven. Vert. Anne Stoffel. Voor- en nawoord Irina Grivnina. Uitg. De Bezige Bij, 141 blz. Prijs ƒ 39,90

In de jaren dertig heeft de dichteres Marina Tsvetajeva zich om den brode tot het proza gewend. Gelukkig heeft dat niet tot plichtmatig werk geleid, Tsvetajeva was tot schmieren niet in staat. Haar dichterschap verloochende zij in haar proza nooit, en eigenlijk heeft ze nooit veel onderscheid gemaakt tussen poëzie, proza en brieven. Tsvetajeva's stijl is overal die van haar dichtwerk: associatief, springerig, en met een voorkeur voor woord- en klankspel.

Haar proza is bijna geheel autobiografisch. Een aantal van de beste stukken is in memoriams voor bevriende literatoren. In Levend over leven zijn er twee daarvan bijeengebracht, beide over minor poets wier namen de Nederlandse lezer niet veel zullen zeggen: Max Volosjin en Michaïl Koezmin. Laat dat echter niemand weerhouden om Tsvetajeva's herinneringen aan hen te lezen, want die zijn allerminst minor. Beiden waren als mens veel opmerkelijker dan als dichter, met andere woorden: het waren nogal excentrieke persoonlijkheden en zij interesseren Tsvetajeva dan ook uitsluitend als mens. Het titelverhaal (of moet ik zeggen titel-in memoriam) gaat over de dichter Max Volosjin (1875-1932), die in Rusland nog regelmatig wordt herdrukt, maar buiten zijn vaderland nooit erg is gewaardeerd. Tsvetajeva maakte kennis met hem nadat ze als zeventienjarige haar eerste dichtbundel had laten verschijnen. Volosjin was enthousiast over deze jonge dichteres en bracht haar een bezoek. Dat was het begin van een vriendschap die duurde tot zij in 1917 door de historische gebeurtenissen werden gescheiden.

Van 1913 tot 1917 heeft Tsvetajeva bijna elke zomer lange tijd doorgebracht in Koktebel op de Krim, waar Volosjin ('driehonderd pond mannelijk schoon') en zijn niet minder excentrieke moeder een zeer afgelegen huis bewoonden. Het was de gelukkigste tijd van haar leven, de tijd waarin ze trouwde, haar eerste kind kreeg, haar eerste dichtbundel publiceerde, opgenomen werd in het Moskouse literaire leven en vele affaires had.

'Het fysiek van Max was een brede poort naar zijn wezen, zijn fysieke omvang - slechts de inleiding tot zijn geestelijke omvang, de fysieke hitte van zijn dikke lichaam slechts de uitstraling van die bron van licht en warmte: zijn geest, waaraan iedereen zich warmde, waarop iedereen brandde.'

Tsvetajeva schetst een onvergetelijk portret van deze zwaargewicht, van zijn moeder, het huis waarin zij woonden, de in die tijd nog geheel woeste omgeving en een aantal gasten dat daar regelmatig kwam, want in de zomermaanden hielden de Volosjins permanent open huis. Ook de talrijke wilde honden die de buurt onveilig maakten worden de lezer op het netvlies gegrift. 'Hoog in de bergen leefden wilde herdershonden, die eens een fietser en zijn fiets in stukken hadden gescheurd.' Zo'n toevoeging als 'en zijn fiets' is een voorbeeld van Tsvetajeva's terloopse, achteloze humor die zich op bijna elke bladzijde wel enkele keren manifesteert.

De hele Volosjin krijgt men in negentig overvolle bladzijden voorgeschoteld en men zal hem nooit meer vergeten. Bij dit alles is het des te opmerkelijker dat er over zijn werk slechts enkele keren, in het voorbijgaan, iets wordt opgemerkt. Max interesseerde Tsvetajeva niet als dichter - dat deden slechts de allergrootsten als Pasternak, Majakovski en Rilke - maar als persoonlijkheid, als bron van eruditie en vooral van warmte, de warmte die zij thuis zo had gemist. Het stuk over Koezmin 'Een avond elders' is veel korter, maar niet minder opmerkelijk. Het is het verslag van de avond (in 1916) waarop Tsvetajeva - een Moskouse - in Petersburg haar debuut maakte. Op een soirée las zij haar gedichten voor, zij en enkele anderen voor de pauze, Koezmin, die toen een beroemdheid was, erna. Alweer beschrijft zij Koezmin - die een fat was - uiterlijk zeer omstandig, zij wijdt uit over de voordracht van verscheidene dichters, ze gaat enige bladzijden in op haar eigen voordracht en het succes dat zij oogstte, maar dan is het al laat en zij moet weg nog voor Koezmin is begonnen. Koezmin heeft zij niet horen voordragen. 'Een avond elders' is meer dan een memoriam voor Koezmin, niet toevallig woedt er die avond buiten een sneeuwstorm, het is een afscheid van een voorbije cultuur waarin poëzie nog op de eerste plaats kwam en die een jaar later al ten onder zou gaan. Tsvetajeva laat ons deze afscheidsavond beleven alsof we er zelf bij zijn geweest.