De gevolgen

Op een middag liep de eekhoorn door het kreupelhout, niet ver van de rivier. “Eekhoorn!” hoorde hij roepen. Hij keek om zich heen. Eerst zag hij niets. Toen zag hij twee benen, die zwaaiden of spartelden - hij kon niet goed uitmaken wat ze deden. “Wie is daar?” vroeg hij verbaasd.

“Ik”, zei een stem. “Het aardvarken. Ha ha!” De eekhoorn duwde het kreupelhout opzij en zag het aardvarken. Hij stond op zijn hoofd en lachte vrolijk. Verbaasd bleef de eekhoorn voor hem staan en vroeg: “Waarom sta je op je hoofd?” “Nou”, zei het aardvarken, “omdat dat leuk is natuurlijk. Ha ha!” Hij lachte weer en zwaaide met zijn benen. “Het is niet voor niets, als je dat soms denkt!” “Nee”, zei de eekhoorn. “Maar als je op je benen staat...?” “Dan ben ik boos!” riep het aardvarken. Hij stikte bijna van het lachen. “O, wat ben ik dàn boos, eekhoorn...” “Altijd?” vroeg de eekhoorn. “Altijd”, zei het aardvarken. “Zet me maar op mijn benen.” Hij knikte de eekhoorn, zo goed en zo kwaad als hij kon, vrolijk toe. De eekhoorn aarzelde, maar hij kon niet geloven dat het aardvarken zomaar, zonder reden, boos kon worden als hij weer op zijn benen stond. Hij pakte hem bij zijn middel en draaide hem om. Onmiddellijk begon het aardvarken te schreeuwen en zijn wenkbrauwen te fronsen. “Zo!” riep hij woedend. “Daar ben je dus. De verschrikkelijke eekhoorn!” De eekhoorn deinsde achteruit, maar het aardvarken stormde op hem af en probeerde over hem heen te lopen. Het is zo, dacht de eekhoorn. Er volgde een worsteling. Het aardvarken gaf de eekhoorn een klap, maar hij gaf zichzelf in zijn woede nog een paar veel hardere klappen, en hij riep de ene verwensing na de andere naar de eekhoorn. Met heel veel moeite lukte het de eekhoorn om het aardvarken bij zijn acherpoten te pakken en weer op zijn hoofd te zetten. “Ha ha!” gierde het aardvarken. “Wat leuk! Wat leuk! Zag je hoe boos ik was? Wat gezellig!” De eekhoorn zat hijgend op de grond en kon een tijd lang niets zeggen. Het aardvarken spartelde met zijn benen en riep:“Hoe vrolijker, hoe beter! Boos is niks. Dat is toch zo, eekhoorn?” De eekhoorn stond op en sloeg het stof van zijn schouders en zijn staart. “Moet je altijd zo blijven staan?” vroeg hij. “Altijd”, lachte het aardvarken. “Maar moeten? Nee, willen. Ha ha!” De eekhoorn zweeg. “Want anders”, gierde het aardvarken en hij trommelde van plezier met zijn voorpoten op zijn buik zodat hij bijna omviel, “zijn de gevolgen niet te overzien.” De eekhoorn besloot weer door te lopen en groette het aardvarken. “Ha ha!” lachte het aardvarken. “Je gaat weer!” “Ja”, zei de eekhoorn. Ernstig liep hij verder, in de richting van de rivier. “Niet te overzien!” hoorde hij het aardvarken nog bulderend van het lachen roepen. “Dan zijn ze niet te overzien...!” Toen hoorde hij een klap, alsof er iemand viel, en versnelde hij zijn pas.

    • Toon Tellegen