Cupido's ballen

Het ergste wat een kunsthistoricus kan overkomen is dat hij een nieuw beeld van Michelangelo ontdekt. Dat moest Frederick Hartt tien jaar geleden ondervinden en Kathleen Weil-Garris Brandt is nu aan de beurt.

Het probleem zit hem hierin dat een mens zichzelf makkelijker van de echtheid van z'n nieuwe Michelangelo overtuigt dan zijn vakgenoten. Geven die zich gewonnen, dan is hij de held, de kampioen van de connaisseurs, en elke schoonheidsfout in zijn onderzoek wordt met de mantel der liefde bedekt. Maar als hij faalt, blijft er niet veel meer van hem over dan wetenschappelijke vorm- en denkblunders.

Het geval Hartt was spectaculair. Hij brak een lans voor een klein gipsen beeldje waarvan hij beweerde dat het een voorstudie voor Michelangelo's David was. Het was hem in Parijs getoond door een stel regelrecht uit The Maltese Falcon ontsnapte internationale zwendelaars met wie hij overeenkwam een boek te schrijven over deze vondst. Dat deed hij ook, in een bij dit onderwerp passende bombastische stijl ('...bij het zien van de kloppende, sidderende spierbundels, doorvoer een huiver mijn ledematen'). Zijn grote fout was dat hij zijn uitgever, zijn lezers en zijn collega's vergat te vertellen dat hij vijf procent van de opbrengst van het beeldje zou krijgen, of in elk geval twee en een half miljoen dollar. Deze bijzonderheid, die niet in goede aarde viel, kwam uit nadat zijn toeschrijving op scepsis bij andere specialisten stuitte. Leo Steinberg geloofde bijvoorbeeld niet in de testikels van het beeldje, die volgens hem 'botweg waterpas hingen in plaats van ongelijk, zoals de mannelijke anatomie vereist'. Met zijn verweer dat het die dag misschien koud was geweest in Michelangelo's studio of anders dat het model zenuwachtig was, wist Hartt de vakgenoten niet aan zijn kant te krijgen. Zijn briljante carrière lag in duigen. Het beeldje verdween, naamloos en onverkoopbaar, in een Londense bankkluis.

Professor Brandt vond haar Michelangelo dichter bij huis. Het is een marmeren Cupido die al sinds 1906 op een fontein staat, om de hoek van haar kantoor in New York, bij een gebouw aan Fifth Avenue dat in de jaren vijftig door de Fransen werd gekocht als behuizing voor hun Culturele Dienst. Op een goede dag in oktober vorig jaar liep ze er langs, zegt ze, en toen viel haar ineens de frappante overeenkomst op met een beeldje dat in 1899, met foto, werd gepubliceerd als een Michelangelo in de catalogus van de verzameling Bardini in Florence. Ze deed de wereld kond van haar ontdekking, vergezeld van de mededeling dat het Metropolitan Museum het beeld die herfst zou opnemen in een tentoonstelling als een Michelangelo.

Brandts fout? Zij had allang op de hoogte moeten zijn van de vindplaats van het beeld en van zijn betwiste status; andere insiders waren dat ook. In 1984 had een kunsthandel uit New Orleans (niet de eigenaar van het stuk natuurlijk, maar zo nauw moet je niet kijken), de ex-Bardini Cupido nog aan het Getty Museum te koop aangeboden. En in 1992 werd het compleet met afbeelding en vindplaats in een boek dat Brandt had horen te kennen toegeschreven aan Michelangelo's leermeester Bertoldo di Giovanni. Brandts enige echte bijdrage was dat ze met haar reputatie achter de negentiende-eeuwse toeschrijving aan Michelangelo was gaan staan. Meer was ook niet nodig geweest, als haar oordeel iedereen overtuigd had.

Maar in de jongste Art Newspaper schrijft de vooraanstaande Michelangelo-specialist Michael Hirst, dat 'Michelangelo part noch deel had aan het concept en de uitvoering' van deze Cupido. Hij houdt het op Bertoldo, maar alleen als 'suggestie'. Het slot van zijn artikel is vernietigend: 'Wij mogen Dr Weil-Garris Brandt dankbaar zijn dat zij het werk zo onontkoombaar onder onze aandacht heeft gebracht, zonder te vergeten dat Dr Alessandro Parronchi het al in 1968 op basis van een foto aan Michelangelo toegeschreef'.

Ik snap trouwens niet hoe iedereen zo blind kan zijn. Zelfs op een foto is duidelijk te zien dat Cupido's ballen net zo botweg waterpas hangen als die van de gipsen David.

    • Gary Schwartz