Bedrijven vrezen sancties van VS

ROTTERDAM, 9 AUG. Nederlandse bedrijven die diensten en produkten leveren aan de gas- en olie-industrie in Iran en Libië maken zich zorgen over de zogeheten d'Amato-wet. Deze wet bepaalt dat de Verenigde Staten strafmaatregelen kunnen nemen tegen bedrijven die meer dan 40 miljoen dollar investeren in de olie-industrie in Libië en Iran.

Volgens de Nederlandse werkgeversorganisatie VNO/NCW leveren op het ogenblik zo'n 30 a 40 Nederlandse bedrijven aan de olie-industrie in Iran, in totaal voor zo'n 100 à 150 miljoen gulden per jaar. VNO/NCW heeft al verscheidene telefoontjes binnen gekregen van verontruste exporteurs en houdt er ernstig rekening mee dat sommige toeleveranciers hun uitvoer naar de gewraakte landen zullen staken. “Ze zijn verontrust, onzeker. Er bestaat bij hen onduidelijkheid over de implicaties van de nieuwe sanctiewet”, constateert Elmer Bouma, Secretaris Internationale Zaken van VNO/NCW. “Sommige Nederlandse bedrijven overwegen hun leveranties te stoppen.”

De Europese Unie (EU) heeft gisteren formeel geprotesteerd tegen de d'Amato-wet. De Ierse ambassadeur in Washington, die het halfjaarlijks voorzitterschap van de EU vertegenwoordigt, en een topambtenaar van de Europese Commissie hebben het Europese protest gisteren kenbaar gemaakt bij het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken. Eerder deze week leverden Frankrijk, Duitsland en zelfs het traditioneel Amerika-gezinde Groot-Brittannië felle kritiek op de d'Amato-wet. Ook Eurocommissaris Sir Leon Brittan, verantwoordelijk voor handel, veroordeelde de wet, die volgens hem uitgaat “van het ongewenste principe dat een land de buitenlandse politiek van anderen kan dicteren.”

De EU, die ongeveer eenvijfde van haar olie haalt uit Iran en Libië, wordt hard getroffen door de wet. In Libië is de Italiaanse oliemaatschappij Agip de belangrijkste buitenlandse investeerder; in Iran het Franse Total. De sanctiewet die de Amerikaanse president Bill Clinton maandag tekende tegen buitenlandse investeerders in beide landen (“de steunpilaren van internationaal terrorisme”) lijken dan ook vooral Italianen en Fransen moeilijkheden te kunnen opleveren.

Het Nederlandse bedrijfsleven heeft geen directe belangen in de olie- en gaswinning in Iran en Libië. De Nederlands/Britse oliemaatschappij Koninklijke Shell Groep zit niet in Libië en is voorlopig alleen bezig met een verkenning voor investeringen in Iran.

Turkije gaat af op een openlijk conflict met de VS. Iran gaat Turkije tot 2020 jaarlijks 140 miljard kubieke meter aardgas leveren. Dat zijn de Iraanse olieminister Gulamriza Agazade en de Turkse minister van energie, Recai Kutan, gisteren in Teheran overeengekomen. Iran beschikt over de op een na grootste aantoonbare gasreserve ter wereld: het land zit op bijna een vijfde van de totale mondiale reserve.

Pag.12: 'Effect van sancties is heel beperkt'

Olie en gas zijn voor Iran en Libië van levensbelang. Het zijn de pijlers van hun economieën. Libië produceert zo'n 1,5 miljoen vaten olie per dag, Iran 3,5 miljoen. Iran is daarmee de op een na grootste producent binnen de Opec, het wereldwijde kartel van olieproducerende landen. Bijna een kwart van de olie die de landen van de Europese Unie invoeren komt uit Iran en Libië. Italië haalt bijna de helft van zijn olie-import uit beide landen.

De buitenlandse betrokkenheid bij de olie- en gaswinning is, zeker wat Iran betreft, beperkt. Nadat de Iraanse leider Khomeiny de buitenlandse oliemaatschappijen ten tijde van de Islamitische revolutie in 1979 het land had uitgejaagd, onder meer door bestaande contracten ongeldig te verklaren, hielden de buitenlanders zich jarenlang verre van de Iraanse energiesector. Eerst omdat het land geen buitenlandse belangen meer duldde in zijn zo strategische olie- en gassector. Later, toen het land door de economische crisis gedwongen werd buitenlandse investeerders aan te trekken, omdat de politieke situatie in Iran zelf èn de Amerikaanse politieke druk buitenlandse investeerders afschrokken, en omdat de olie- en gaswinning in andere nabijgelegen landen aan de Golf economisch gezien rendabeler leken waardoor investeren in de Iraanse olie- en gaswinning geen prioriteit was.

De eerste buitenlandse oliemaatschappijen die daadwerkelijk weer belangstelling toonden voor Iran waren de Franse bedrijven Total en Elf Aquitaine. “De Fransen waren er als de kippen bij”, vertelt energiedeskundige prof.dr. Coby van der Linde van de Rijks Universiteit Leiden. “Dat waren ze ook in Rusland toen dat land openging voor buitenlandse investeringen. De Fransen menen namelijk dat ze wat in te halen hebben. Ze hebben als het om concessies gaat de afgelopen decennia veel achter het net gevist.”

De Fransen legden als eersten contact met de Iraanse autoriteiten, maar de Amerikanen hadden als eersten een daadwerkelijk contract: de oliemaatschappij Conoco verwierf in het voorjaar van 1995 als eerste buitenlandse onderneming de mogelijkheid om olievelden te gaan exploiteren, de 'Sirri A' en 'Sirri E'-velden voor de kust van Iran. Conoco werd evenwel door de eigen regering teruggefloten. Enkele maanden na ondertekening van het contract met de Iraniërs werd in Washington namelijk wetgeving van kracht die het Amerikaanse bedrijven verbiedt zaken te doen met Iran.

Vervolgens doken er berichten op dat Shell aasde op de contracten waar Conoco noodgedwongen van moest afzien. Het was echter uiteindelijk Total dat een principe-overeenkomst bereikte met de Iraanse autoriteiten. De Franse oliemaatschappij is daarmee de eerste en tot nog toe enige buitenlandse investeerder die erin slaagde in het Iran van na de Islamitische revolutie een contract te tekenen voor de winning en de produktie van grote hoeveelheden olie en gas.

Total voert op het moment exploratie-activiteiten uit en hoopt in 1998 met produceren te kunnen beginnen om uiteindelijk uit te komen op een produktie van 120.000 vaten per dag. De Fransen zoeken nog andere buitenlandse oliemaatschappijen voor dit 600 miljoen dollar kostend project en zijn ervan overtuigd dat ze nog voor het einde van het jaar partners zullen vinden. “Er is voor dit project grote belangstelling aan de kant van de oliemaatschappijen”, zegt Total-woordvoerder Regis Gaignault.

Het project zal geen hinder ondervinden van de Amerikaanse sancties die deze week van kracht werden, zegt Gaignault. “We hebben de contracten vorig jaar getekend, dus de nieuwe wetgeving heeft geen gevolgen voor ons want die betreft alleen nieuwe contracten, nieuwe investeringen.”

De topman van de Franse oliemaatschappij, Thierry Desmarest, verklaarde deze week tegenover de International Herald Tribune dat Total zal blijven investeren in landen die de Verenigde Staten in toenemende mate ziet als paria's van de internationale gemeenschap, zoals Iran en Libië, maar ook Birma, Irak en Colombia. “Wij geloven dat de politiek van embargo, van blokkade en van economische isolatie niet de oplossing vormt voor de politieke problemen in ontwikkelingslanden. Wij menen dat het beter is de economieën van deze landen te ontwikkelen om hun politieke volwassenheid te versterken.”

Shell, dat eerder ook aasde op het Sirri-contract dat dus uiteindelijk naar Total ging, komt in Iran mogelijk de nieuwe Amerikaanse sanctiewetgeving op zijn pad tegen. Shell heeft een haalbaarheidsstudie verricht naar het South Pars-gasveld voor de kust van Iran, gas dat via een pijpleiding van 1.650 kilometer lengte naar Pakistan zou moeten worden vervoerd. (Alleen al de kosten van de haalbaarheidsstudie bedroegen miljoenen dollars.) Shell-woordvoerder Bert Regeer zegt dat Shell nog geen enkel besluit heeft genomen over het South Pars-veld. Regeer wil daarom ook niet inhoudelijk reageren op de Amerikaanse strafmaatregelen. “We hebben er geen investeringen, we doen dan ook geen uitspraken.”

Meer dan Total is Shell kwetsbaar voor Amerikaanse sancties. Shell heeft namelijk veel meer belangen in de Verenigde Staten zelf: Shell Oil is een van de grote winstmakers van de oliemaatschappij. Strafmaatregelen tegen Shell in Amerika kunnen dan ook zeer effectief zijn.

Volgens prof. Van der Linde is de Iraanse autoriteiten er alles aan gelegen om buitenlandse investeerders aan te trekken. Iran wil volgens haar de olieproduktie opvoeren van 3,5 miljoen naar 4,5 miljoen vaten per dag. Het ontbreekt het land vooralsnog aan de benodigde middelen. “Het land is, zeker na de oorlog tegen Irak en eerdere Amerikaanse strafmaatregelen, te arm om zelf de benodigde investeringen te plegen. Het kan zijn plannen op de lange termijn, dus alleen met buitenlandse investeerders realiseren.”

In Libië zijn buitenlandse investeerders in de olie- en gaswinning aanmerkelijk beter vertegenwoordigd. Amerikaanse oliemaatschappijen zoek je er evenwel tevergeefs. Die hebben zich eind jaren tachtig moeten terugtrekken onder druk van hun eigen overheid die Libië al jaren beschouwt als thuisbasis van internationaal terrorisme. Hun plaats is overgenomen door vooral Europese bedrijven.

Uit de lijst van buitenlandse investeerders in Libië die het Oxford Institute for Energy Studies in Engeland verschaft blijkt dat de Italiaanse oliemaatschappij Agip verreweg het meest investeert in de Libische olie-industrie. Agip produceerde er volgens het instituut vorig jaar 260.000 vaten olie per dag. De Italianen hebben bovendien plannen voor omvangrijke gaswinning en de aanleg van een gaspijpleiding onder de Middellandse zee van Libië naar Italië.

Naast Agip is er nog een flink aantal andere Europese oliemaatschappijen in Libië actief, zoals het Franse Total, het Duitse Veba, het Engelse Lasmo, het Spaanse Repsoil en het Belgische Petrofina. Daarnaast bovendien een aantal Canadese ondernemingen en zelfs een Kroatisch bedrijf, aldus de gegevens van het Oxford Institute for Energy Studies.

Het buitenlandse aandeel in de winning van olie en gas in Libië is dus aanzienlijk groter dan het buitenlands aandeel in Iran. Het overgrote deel van de energie wordt evenwel nog door de staatsoliemaatschappij gewonnen. Volgens directeur Mabrow van de onderzoeksinstelling in Oxford nemen de buitenlandse maatschappijen in totaal nog geen derde van de produktie voor hun rekening.

“De effecten van eerdere boycots zijn vooralsnog beperkt gebleven”, constateert energiedeskundige Peter Odell, emeritus hoogleraar van de Erasmus Universiteit in Rotterdam. “De Amerikaanse sancties hebben tot nog toe geen echte substantiële gevolgen gehad voor de Libische olie-industrie. Er ontstaan nu alleen technische problemen, onderdelen uit de Verenigde Staten die niet vervangen kunnen worden, of gerepareerd. De effecten van dit soort boycots worden pas na vele jaren merkbaar.”

Iran en Libië zelf zullen volgens Odell zeker op de korte en middellange termijn nauwelijks hinder ondervinden van de strafmaatregelen. “Die landen zitten toch al jaren in het verdomhoekje. Dat beetje extra last dat ze van de sancties zullen ondervinden zal hen zeker in het begin nauwelijks schade toebrengen. De enige mogelijkheid om de landen echt ook op korte termijn te treffen is een volledige en strikte olieboycot.” Prof. Van der Linde van de Rijks Universiteit Leiden meent dat op de lange termijn de effecten van de sancties in beide landen wel degelijk voelbaar kunnen zijn. Met name in Iran dat buitenlandse investeerders nodig heeft om een beoogde produktieverhoging in de eigen olie- en gassector te realiseren.

Bouma van VNO/NCW maakt zich intussen zorgen over de handel tussen Nederland en Iran. Niet alleen de leveranties aan de olie-industrie, maar de gehele Nederlandse en Europese export naar Iran, vooral van voedsel als eieren en melkpoeder, zou weleens opnieuw onder druk kunnen komen te staan.

Iran herstelt zich op het ogenblik van ernstige betalingsproblemen die het land enkele jaren geleden nog had, problemen die onder meer voortkwamen uit de enorme kosten die Iran moest maken voor de wederopbouw van zijn economie, een economie die ernstig in het slop was geraakt door onder meer de oorlog met Irak, door chaotisch economisch beleid en door de enorme vlucht van managers en technocraten naar het buitenland.

De ernstigste betalingsproblemen behoren inmiddels tot het verleden. De Nederlandsche Credietverzekerings Maatschappij (NCM) heeft haar loket op Iran in november heropend. De NCM heeft niet te klagen over de betalingsdiscipline van de Iraniërs, zegt woordvoerder Marcel Wendrich van de exportkredietverzekeraar in Amsterdam, noch over belangstelling van het Nederlandse bedrijfsleven: de faciliteit van 150 miljoen gulden voor 1996 is nu al uitgeput.

De Nederlandse export naar Iran die de afgelopen jaren was teruggevallen van 1,5 miljard tot beneden de 500 miljoen gulden, toont tekenen van herstel. “Een trend die je ook in de rest van Europa ziet”, constateert Bouma. Bouma is bevreesd dat de Amerikaanse sancties ook bedrijven die niets met de olie- industrie te maken hebben kopschuw zullen maken voor leveranties aan Iran. “De nieuwe wet kan Iran opnieuw in betalingsproblemen brengen, met alle gevolgen vandien voor de handel op dat land.”