Ambtenaren en ongenaakbaren

Kunst & Museumjournaal Jaargang 7, nummer 1/2/3. Prijs f 19,50.

Bitter is hij, en niet zo'n klein beetje ook. In het nieuwe nummer van Kunst & Museumjournaal slaat Philip Peters wild om zich heen. Het blad, waarvan hij hoofdredacteur is en dat een platform wilde zijn voor meer dan veertig Nederlandse en Belgische musea, wordt opgeheven. Met jaargang 7, nr. 1/2/3, dat vorige week verscheen, is het afgelopen.

In zijn necrologie voelt Peters zich niet te min voor stevige rancune. Zo tonen de betrokken museumdirecteuren (van wie Chris Dercon van Museum Boijmans Van Beuningen met name wordt genoemd) alleen maar desinteresse voor hun eigen instelling, en kunnen museumdirecteuren en conservators niet schrijven, waardoor Peters iedere keer moest ploeteren om zijn blad vol te krijgen. Voornaamste verantwoordelijke voor het verdwijnen van het blad is in de ogen van Peters de Mondriaanstichting, die besloot de subsidie stop te zetten, omdat K&M zich niet voldoende zou richten op de Nederlandse musea.

Toch ziet Peters met zijn filippica een van de voornaamste problemen van Kunst & Museumjournaal over het hoofd: het feit dat de artikelen in het blad al jaren niet meer om door te komen waren. Hij is wel bereid een sneer uit de delen aan het adres van zijn voorganger (Paul Groot), die volgens Peters het blad 'sterk onder invloed stond van de Franse poststructuralistische filosofen, meer in het bijzonder Baudrillard' bracht. Daarbij lijkt hij niet te beseffen dat zijn tijdschrift ook toen Groot alweer een tijdje was opgestapt sterk bleef lijden aan de Hollandse kunstbladen-ziekte: een buitensporige vorm van navelstaarderij zowel bij redactie als auteurs, die als enig doel leken te hebben de lezer zo min mogelijk informatie en leesgenot te verschaffen. Ook toen Baudrillard al lang was weggebonjourd, waren de auteurs van Kunst & Museumjournaal bijna zonder uitzondering onder te verdelen in 'ambtenaren' en 'ongenaakbaren'. De eerste groep (meestal de museummedewerkers) leek ieder stuk te beschouwen als een rapport voor de plaatselijke wethouder van cultuur; de tweede groep leek niet eens te beseffen dat er zoiets als een lezer bestond - zo zelfingenomen waren hun stukken.

Nu moet ter verontschuldiging van de redactie worden opgemerkt dat deze, voor een groot deel buiten haar schuld, worstelde met het feit dat K&M volgens de subsidiegevers een clubblad voor musea moest zijn. Dat betekende dat er nauwelijks aandacht aan individuele kunstenaars kon worden besteed, en er meestal overkoepelende onderwerpen moesten worden aangesneden. Ook dit laatste nummer is geen uitzondering, met stukken over 'restauratie van eigentijdse kunst',' kunstenaarsinitiatieven', 'conceptuele kunst' en 'virtuele tentoonstellingen'. Om zulke grote onderwerpen adequaat aan te pakken, heb je goede of getrainde auteurs nodig en die heeft de redactie ook voor dit laatste nummer te weinig kunnen vinden.