Seks en het opscharrelen van vlees

Waarom is de vroege mens gaan jagen? Vergelijkingen met chimpansees doen een seksueel motief vermoeden. Maar volgens anderen stelde de jacht door vroege hominiden weinig voor. Een momentopname van het antropologische debat over vlees.

'Een stukje worst, mevrouw?' Als de Amerikaanse antropoloog C. Stanford gelijk heeft, heeft dit sociaal bedoelde slagersgebaar wortels in de vroegste geschiedenis van de mensheid, en kan het iets heel anders betekenen dan de klanten in de winkel denken. Stanford, assistent professor aan de University of Southern California, bracht de afgelopen vier jaar veel tijd door in het Tanzaniaanse Gombe National Park, om het vleeseten door chimpansees (Pan troglodytes) te bestuderen. Zijn conclusie: chimpansees eten geen vlees omdat ze het als voedsel nodig hebben maar omdat het vleeseten onderdeel is van een sociaal gedragspatroon, waarbij seks de drijvende kracht is. De voedingswaarde is secondair. Die constatering werpt een nieuw licht op de evolutie van de naastverwante neef van de chimpansee: de mens.

Het eten van vlees - een rijke voedingsbron maar moeilijker te verkrijgen dan vruchten en noten - wordt gezien als een belangrijke stap in de menselijke evolutie. Voor jagen is goed ontwikkeld groepsgedrag nodig en ook de ontwikkeling van stenen jachtwapens en andere werktuigen houdt er nauw verband mee. Het vangen en verorberen van insekten wordt meestal niet tot jachtgedrag gerekend.

Stanford hoopte door studie van de chimpansees nieuwe inzichten te kunnen formuleren over met vleeseten samenhangend gedrag van de vroegste, Pliocene mensachtigen. Het Plioceen is het geologische tijdvak van ongeveer 7 tot 1,8 miljoen jaar geleden. Daarin horen de Australopithecus-soorten thuis (onze verst verwijderde voorouders van 4 à 4,5 miljoen jaar terug) en de eerste vertegenwoordigers van ons eigen geslacht: de circa 2,5 miljoen jaar oude Homo habilis en wellicht nog net zijn opvolger de Homo erectus.

Naast eigen waarnemingen betrok Stanford de resultaten van een paar decennia Afrikaans zoölogisch veldwerk bij zijn onderzoek. Vast is komen te staan dat chimpansees jagen op dieren tot een gewicht van een kilo of tien. Ongeveer 8,5 procent van de biomassa die de gemiddelde chimpansee verorbert bestaat uit vlees. Dit komt overeen met cijfers voor menselijke jagers/verzamelaars die op de schaal van vleesconsumptie aan de lage kant zitten. Jonge bavianen (Papio cynocephalus anubis) en rode colobus aapjes (Colobus badius) behoren tot de favoriete prooien van de chimpansees . In Gombe National Park vormen rode colobus aapjes zelfs 80 procent van de jachtbuit.

Maar wat is de waarde van dat vlees binnen het totale dieet van chimpansees? Veel onderzoek is er nog niet verricht naar de voedingswaarde van de bestanddelen van het chimpansee-menu, niet naar de verhouding tussen die bestanddelen en evenmin naar de relatie tussen dat menu en de energie-huishouding van Pan troglodytes, aldus Stanfort. Maar wel is bekend dat chimpansees moeiteloos palmnoten kunnen verzamelen die in calorische waarde niet onderdoen voor colobusvlees, waarvan de bemachtiging hen juist wel veel energie kost. Voor de calorieën lijkt jacht niet noodzakelijk. Chimpansees foerageren zo breed dat tijdelijk gemis van een of meer voedingsbronnen opgevangen zou kunnen worden met betrekkelijk gemakkelijk te verkrijgen alternatieven.

Groepsbeslissing

Stanford houdt het erop dat jagen bij chimpansees in de eerste plaats een sociale daad moet zijn. Want de groepsbeslissing om bij een ontmoeting met bijvoorbeeld colobus apen te gaan jagen of niet hangt volgens Stanford af van twee factoren. De ene is groepsgrootte. Hoe groter de groep, hoe groter de kans dat tot de jacht wordt over gegaan. Stanford en anderen hebben waargenomen dat de jachtbuit sterk in omvang toeneemt naarmate er meer chimpansees aan de jacht meedoen. Dit ervaringsfeit zal bij de beslissing het nodige gewicht in de schaal leggen en op zijn beurt verband houden met de allerbelangrijkste trigger voor het openen van de jacht. Dat is, stelt Stanford, de aanwezigheid in de groep van op dat moment vruchtbare vrouwtjes. Zij herkenbaar aan zichtbare zwellingen aan het achterlijf. Stanford heeft regelmatig kunnen waarnemen hoe een mannetjes-chimpansee zijn jachtbuit even buiten het bereik van zo'n vrouwtje hield, net zo lang tot zij 'de positie aannam'. Tot werkelijk delen van het vlees kwam het dan na de geslachtsdaad. Wanneer de zaken zo op een rijtje worden gezet, blijkt seks de drijvende kracht achter de jacht.

Niet bekend

De paleo-antropologen M.D. Leakey en G.Ll. Isaac zetten zich in de jaren zeventig aan de bestudering van vindplaatsen als Olduvai en Koobi Fora. Daar waren stenen werktuigen en oude botten met snijsporen gevonden van 1,8 tot 1,5 miljoen jaar oud. Leakey en Isaac interpreteerden deze vindplaatsen als centra van hominide activiteiten. Leakey sprak van living floors en Isaac van home bases, thuisbases. Vooral de laatste term is blijven hangen. Isaac beschouwde deze home bases als regelmatig tijdelijk bezette kampementen waar hominiden na het foerageren naar terugkeerden, waar ze eten bereidden en nuttigden, en waar ze zich bezighielden met sociale activiteiten. Gebruik van home bases zou de ontwikkeling van taal en culturele regels hebben bevorderd, alsmede groei van de hersenen. Andere onderzoekers wilden hier later niet meer van weten. Voor de vorming van deze vindplaatsen waren volgens hen in de eerste plaats wilde dieren de verantwoordelijk.

Met de bewijslast voor aaseten in de hand en zo'n beetje onder aanvoering van de Amerikaanse antropoloog L. Binford, werd in het begin van de jaren tachtig begonnen aan de verdere sloop van de al wankelende vroege Homo als man-the-hunter, een beeld dat door Isaac meer impliciet nog was omarmd. Vanuit de groep rond Binford kregen de Australopithecines en Homo habilis en in wat mindere mate Homo erectus zeer beperkte capaciteiten toegedicht. Ze werden gereduceerd tot opportunistische 'feed-as-you-go'-verzamelaars, een soort scharrelaars. Ze zouden de concurrentie om voedselbronnen met roofdieren (pre-moderne leeuwen, luipaarden, hyena's, jakhalzen, sabeltand-katten enzovoort) niet hebben aangekund. Geen sprake van jagen dus. En al even min deden ze - om dezelfde reden - aan 'actief azen': vlees bemachtigen door roofdieren van hun jachtbuit te verjagen. 'Passieve' aaseters waren het:alleen als de gelegenheid zich voor deed en er geen gevaar te duchten was, dan doken ze op de laatste restjes van kaalgevreten karkassen. Voor het overige maakten ze eerder kans zelf prooi te worden. Een concentratie van karkassen, zoals de vindplaatsen van Olduvai en Koobi Fora te zien gaven, zou roofdieren hebben aangetrokken. En regelmatig bij zo'n concentratie vertoeven was te riskant, aldus Binford, want hominiden waren ook niet in staat zich tegen roofdieren te verdedigen. Isaac zag om deze argumentatie zijn hypothese over de home bases afgewezen. Het was, zo oordeelde men, een ontoelaatbare projectie van het gedrag van hedendaagse jagers/verzamelaars op het verleden.

Maar volgens de Amerikaanse antropologen L. Rose en F. Marshall is deze verwerping van de home bases-hypothese niet terecht. De nadruk die Binford en de zijnen, leggen op het incidentele, passieve azen door hominiden, weerspiegelt onvoldoende onderzochte vooronderstellingen over hun capaciteiten voor jagen, actief azen en het verdedigen van zichzelf, zo betogen ze in een recent artikel. Rose en Marshall wijzen op het gedrag van huidige primaten bij de nadering van roofdieren: ze slaan alarm en organiseren hun gezamenlijke verdediging, die niet zelden overgaat in een massale aanval. Hominiden moeten dat op zijn minst even goed hebben gekund. Dit houdt dan ook in, menen Rose en Marshall, dat hominiden voedselbronnen konden verdedigen. De bewijzen van betrokkenheid van hominiden bij grote karkassen twee miljoen jaar geleden tonen dan aan dat zij deze capaciteiten toen al bezaten. Niets, aldus Rose en Marshall, stond daarmee de ontwikkeling van een benutting van het leefgebied met behulp van home bases in de weg. De discussie over de foerageer-strategie van hominiden is door alle aandacht voor het bemachtigen van vlees, of dat nu door jagen of passief dan wel actief azen gebeurde, is veel te beperkt geweest, vinden ze. Andere voedsel- en hulpbronnen moeten erbij betrokken worden: water, fruit en ander plantaardig voedsel en bijvoorbeeld grondstoffen voor het maken van werktuigen. Maar ook schaduwrijke bomen en mogelijkheden om slaapplaatsen in te richten horen daarbij.

De effectieve overlevingsstrategie is volgens hen het zoeken naar, en gebruiken van, verdedigbare plaatsen geweest; verdedigbare plaatsen binnen het leefgebied, in de nabijheid van de andere voedsel- en hulpbronnen. Daar werden dan karkassen of delen daarvan (hoe ook verkregen) naartoe gebracht, verwerkt en gegeten, en alle andere activiteiten geconcentreerd. Rose en Marshall noemen deze hypothese het resource-defense model. De concurrentie om de voedselbron vlees die de hominiden van roofdieren ondervonden, zal regelmatig gebruik van zulke verdedigbare plaatsen eerder hebben bevorderd en nog verder ontwikkeld dan verhinderd, aldus hun these.

Craig B. Stanford, 'The Hunting Ecology of Wild Chimpanzees: Implications for the Evolutionary Ecology of Pliocene Hominids' in American Anthropologist 98 (1), maart 1996. Lisa Rose en Fiona Marshall, 'Meat eating, Hominid Sociality and Home Bases Revisited' in Current Anthropology 37 (2), April 1996.