Psychologie

Op het grensvlak van psychologie en recht woedt een verbitterde strijd. Deze vlinderslag in het academische domein der pyschologie heeft een storm met veel slachtoffers en bedreigde carrières tot gevolg in de Amerikaanse en Nederlandse samenleving.

In een interview in NRC Handelsblad van 4 juli 1996 keert Trudy Dehue, hoogleraar grondslagen en geschiedenis van de psychologie in Groningen, zich tegen de dominantie van de kwantitatieve wetenschapsopvatting in de psychologie en van de methodologie van het psychologisch experiment. Ze wijst er op dat methodologie bij de praktische uitvoering bedreigd wordt door tal van onvoorziene storingen. Allereerst zij opgemerkt, dat het psychologische experiment deze validiteitsproblematiek deelt met het natuurkundige experiment: de meetsonde die het waar te nemen object dreigt te beïnvloeden. 'Meten is weten als je weet wat je meet', is het credo van fysici. Mevrouw Dehue komt slechts in 30 procent van de natuurkundeboeken een paragraaf methodologie tegen, tegen maar liefst in 90 procent van de psychologische leerboeken. Maar als zij daaruit concludeert dat de methodologie in de natuurkunde minder dominant is, dan ligt dat misschien aan het feit dat zij als psycholoog een natuurkundeboek wellicht niet anders dan op lexicografisch niveau kan lezen, wat natuurlijk helemaal geen schande is.

Dehue predikt niet (permanente) vervolmaking van het meetinstrument, nee, zij weet een gemakkelijkere weg: zij wil de 'dominantie' van de methodologie plaats laten maken voor 'een ander soort kennis', die zij wil ontsluiten. 'Het etiket 'wetenschap' is gerechtvaardigd zodra een groep mensen erin slaagt anderen ervan te overtuigen dat er wetenschap wordt geleverd', aldus Dehue. Dit is nu een zeer bedenkelijke opvatting. Overtuigen, hoe? Niet met de resultaten van sterk geoperationaliseerde onderzoeksvragen. Niet met klassiek bewijs. Macht is het wat blijkbaar volgens Dehue wetenschap tot wetenschap maakt. Als de hypothese maar als zekerheid gepubliceerd wordt, als de verkondiger een aanstelling krijgt, als het gesubsidieerd wordt, dan is het 'wetenschap'. 'Overtuigen' is bij Dehue 'doen geloven'. Als een groep zich wetenschapsbeoefenaar noemende, de machthebber naar de mond pratende mensen erin slaagt om het volk te overtuigen dat op wetenschappelijke grond is aangetoond dat het tot een superras behoort, dan is dat dus wat Dehue betreft wetenschappelijk oké?

Als een groep zich psychotherapeut noemende mensen erin slaagt een leerstoel te veroveren en een andere groep (bijvoorbeeld depressieve cliënten en rechters) te doen geloven dat hervinden van incest-herinneringen een wetenschappelijke basis heeft, dan is het volgens Dehue dus wetenschap en hoeft het niet meer bewezen te worden, en dan màg je daarmee dus families verscheuren, de 'slachtoffers' zich slachtoffer laten voelen, de 'daders' bij de politie aangeven, laten opsluiten in de gevangenis, hun carrière breken en grote sommen schadevergoeding laten betalen. Dàt nu is precies wat er op vrij grote schaal gebeurt. Curieus genoeg legt Dehue de bewijslast, die zij zelf verguist, wèl op de schouders van Crombag en Merckelbach, die zij verwijt dat zij in hun boek 'Hervonden herinneringen' hun kritiek onder meer baseerden op geheugenexperimenten waarvan, zo zegt zij, 'de validiteit onvermijdelijk discutabel' blijft. Dat klopt, het waren Crombag en Merckelbach zelf die dat zeiden ter afbakening van het schootsveld van hun stellingen.

Auteurs als Crombag, Merckelbach en Loftus keren zich onder meer tegen de door veel klinische psychologen gehuldigde opvattingen, wier therapie hier op neerkomt: Als je je ongelukkig voelt ben je misschien misbruikt. Als je dènkt dat je misbruik bent, dan bèn je het ook en moet je net zo lang zoeken tot je je herinneringen hervonden hebt. Als je ze hervonden hebt kun je ze verwerken (bijvoorbeeld door aangifte te doen) en zullen je problemen van de baan zijn. De kreupelheid van deze redenering, gevoegd bij het herinnerings-implantatiebewijs en het veelal ontbrekende of zelfs negatieve therapeutisch effect maakt deze op een nieuw soort wetenschap berustende therapie ernstig verdacht. De wetenschapsopvatting van Dehue wil niettemin dat we op zulke redeneringen berustende herinneringen als een ander soort waarheid aanvaarden.

Dehue geeft antiwetenschappelijk redeneren ten beste: geloof wordt tot autoritaire wetenschap verheven, en wordt immuun gemaakt voor kritiek door verificatie en falsificatie te verguizen. Van haar critici verlangt zij wat zij zelf minacht: bewijs. Tot overmaat van oneerlijkheid werpt zij de critici tegen dat hun bewijs beperkte geldigheid heeft, wetende dat voor de critici nu juist afbakening en (Popperiaanse) relativering van de validiteit van het bewijs inherent aan hun methode is. Strikt doorredenerend moet voor Dehue niet alleen een nieuw soort kennis, maar ook een nieuw soort macht van het getal de wetenschappelijke strijd om de waarheid beslechten: het aantal leerstoelen dat een bepaalde stroming bezet.