Medaillespiegel (1)

De manier waarop de 'medaillespiegel' bij de Olympische Spelen wordt bepaald lijkt me onrechtvaardig. Bepalend is het aantal gouden medailles. Binnen de groep met een gelijk aantal gouden medailles wordt de rangorde bepaald door de aantallen zilveren medailles, en binnen de groep met een gelijk aantal gouden èn zilveren medailles kijkt men naar het aantal bronzen medailles.

Het systeem is dus gelijk aan dat bij getallen met drie cijfers, waarbij het aantal gouden medailles fungeert als het cijfer dat de honderdtallen aangeeft, dat voor de zilveren als het cijfer voor de tientallen, en dat voor de bronzen als de enkelvoudige eenheden.

Dat dit systeem tot vreemde resultaten leidt is te zien aan de nummers 34-35 (Algerije en Ethiopië, ex aequo) tegenover nr. 36, Groot-Brittanië. Voor de nummers 34 en 35 zijn de aantallen voor goud, zilver en brons resp. 2, 0 en 1, voor Groot-Brittanië 1, 8 en 6. Dit laatste land heeft dus 15 medailles, en de andere twee maar 3. Toch staan Algerije en Ethiopië hoger in de medaillespiegel, en dat is op zijn zachtst gezegd contra-intuïtief. Iets vergelijkbaars doet zich voor bij de plaatsen 19 ex aequo 20 (Denemarken/Turkije) met 4, 1, 1 en Canada, op plaats 21 met 3, 11 en 8. Een totaal van 22 medailles levert een slechter resultaat op dan een totaal van 6!

Een systeem waarbij een gouden medaille voor 3 punten telt, een zilveren voor 2 en een bronzen voor 1 punt, is veel bevredigender. Ik heb de resultaten daarvan doorgerekend bij de eerste 37 plaatsen. Merkwaardig genoeg veroorzaakt het voorgestelde systeem geen verschil bij de eerste 7 plaatsen. Canada stijgt van plaats 21 naar plaats 12 (een verschil van 9(!) plaatsen, waardoor Nederland een plaats zakt, van 15 naar 16. Denemarken/Turkije zakt naar plaats 27. De grootste stijger is Groot-Brittanië: van plaats 36 naar plaats 19, oftewel bijna de helft. Wit-Rusland boekt eveneens 17 plaatsen winst: van 37 en 20. Het leed wordt verdeeld. De grootste verliezers zijn Denemarken/Turkije die zo'n 8 plaatsen zakken, en wel van 19/20 naar 27, Griekenland (van 16 naar 24) en Zwitserland, van 18 naar 25.

Echt spectaculair worden de verschillen als men de bewonersaantallen en het inkomen per hoofd van de bevolking gaat meetellen. Bij een bevolking van 100 miljoen mensen zijn gemakkelijker 200 atleten te vinden dan in een land van 10 miljoen mensen, en in een relatief steenrijk land als het onze is het prettiger sporten dan in een Oosteuropees land, zoals die landen er momenteel economisch bij staan. Als men de grootte van de bevolking en het inkomen per persoon (in dollars) omgekeerd evenredig maakt met de resultaten in medailles, is te zien hoe indrukwekkend de werkelijke prestatie van de ex-oostbloklanden is.