In Liefde Bloeyende

Gerbrand Adriaensz. Bredero (1585-1618)

GEESTIGH LIEDT

Wat dat de wereld is

Dat weet ick al te wis

(God betert) door 't versoecken:

Want ick heb daer verkeert

En meer van haer geleerd

Als vande beste boecken.

(...)

Nu heb ick 't al versocht:

Soo dol, als onbedocht

Soo rauw als onberaden.

Och Godt! ick heb te blind

En al te seer bemind

De dingen die my schaden.

(...)

Wanneer een ander leyt

Gestreckt en uytgespreyt

En rust met lijf en leden:

Dan plaeght my aldermeest

De quellingh van mijn Geest

Met beulsche wredicheden.

Dan dringht my door de huyt

Het bange water uyt

Door kommerlijcke sorgen

Dies my het herte barst

En wenscht alsoo gheparst

Den ongeboren morgen.

(...)

Al 't gene dat de Lie'n

Ter Wereld mogen sien;

Of immermeer verwerven

En wensch ick niet soo seer

Als saligh inden Heer

Te leven en te sterven.

We hebben het over het bekentenisgedicht van Slauerhoff - een soort grafschrift waarin de (nog niet) overledene zich zelf presenteert als een man die rebellerend en schaterlachend ten onder gaat. 't Is een goed gedicht, niet vanwege die schijnbaar persoonlijke strekking, maar omdat de dichter het signaal 'gedoemde eenling' zo volgens de regels en afspraken van de kunst doorseint. Alleen zó is een held een held. Niet door het te zijn, maar door het te simuleren. Een gedicht blijft een papieren wereld.

In memoriam mijzelf luidt de titel van Slauerhoffs vers. Daar klinkt misschien tóch ietwat ironie in door, iets van spot. 't Is denkbaar dat Slauerhoff wilde laten doorschemeren dat hij wel degelijk wist dat hij hier poseerde, dat hij hier een man voor Slauerhoff liet spelen. Wie weet vreesde hij dat zijn publiek dit gedicht niet snel genoeg zou herkennen als een moderne variant op het Geestigh liedt (Geestelijk lied) van een dichter die in de zeventiende eeuw de reputatie genoot geen blad voor de mond te nemen, Gerbrand Adriaensz. Bredero

Wat dat de wereld is, Dat weet ick al te wis (God betert) door 't versoecken - hiernaast treft u er vijf strofen (van de tien) van aan. Ook dit is een 'In memoriam mijzelf', ook dit klinkt als een harde zelfontleding ter voorbereiding op het sterven. De versvorm en het metrum zijn bij Bredero en Slauerhoff dezelfde, de toon en de enscenering komen overeen - van de aanhef tot het plechtige adieu dat als de finale, zonsondergang, klaroenstoot is: de held verdwijnt uit beeld. De gelofte aan het slot had bij Bredero, net als bij Slauerhoff, tussen aanhalingstekens kunnen staan.

Er zijn een aantal nagenoeg letterlijke echo's. En nimmer ick den dagh Alsoo geluckich sagh... staat er bij Bredero. Het is of we Slauerhoffs In 't leven was geen dag Ooit zonder tegenspoed weer horen. Slauerhoffs zinnen

Zij liggen waar ik sta

Lachend de dood verwacht

worden eerlijk gezegd pas duidelijk na kennisname van Bredero's

Wanneer een ander leyt

Gestreckt en uytgespreyt

et cetera - zo zijn er ook parallellen tussen het zieke hart bij de een en de verminkte ziel bij de ander. 'Ellick heeft syn strijd', zegt Bredero. 'Hij stierf in het gevecht', zegt Slauerhoff. Beiden strijden met starre moed hun verloren slag. Bij beiden is er twijfel, bij beiden uiteindelijk één immateriële wens. Slauerhoff bidt om een goede postume reputatie, Bredero verlangt te sterven in godsvertrouwen. Om God kon Bredero in zijn tijd niet heen, maar zijn quellingh van Geest en angstzweet komen ons even existentieel voor als Slauerhoffs poolgebied en aas dat stinkt. De desillusie van het wereldse - 'Parijs' geheten bij Slauerhoff - vormt de grondtoon van beide gedichten. Twee dodendansen. Een oud lied en een nieuw arrangement.

Ooit gedacht dat Slauerhoffs zogenaamd stoer en antipoëtisch getuigenisgedicht zo'n hoog poëtisch gehalte bezat? Het beschrijft de moderne held volgens het voorgeschreven artistieke recept en het is ook nog eens een hommage aan een klassiek dichter. Heeft Slauerhoff in Bredero een verwante ziel herkend en is dit In memoriam mijzelf zijn solidariteitsverklaring? Of heeft hem het oude deuntje bekoord en is dit zijn parodie? De vraag blijft open, zoals vaker in de poëzie.

De vraag naar het autobiografisch gehalte en de 'herkenbaarheid' is daarbij futiel. Ook bij Bredero, ik zei het al, klinkt het alleen maar als genadeloze zelfontleding. Het Geestigh liedt is zeker niet origineel, met zijn traditionele elementen van zondebesef en boetedoening. En ook Bredero speelt. Hij speelt hier voor een van de gedoemde dichters die zijn eeuw rijk is - ten prooi aan Venus, drank en duivel. Hij speelt hier voor held van zijn tijd.

Toch - Bredero keek in een spiegel, Slauerhoff herkende zich in Bredero, waarom zouden wij ons niet mogen herkennen in gedichten die het ego zo dramatiseren en stileren? Een gedicht is nooit van papier alleen.