Idealen en rampen in de geografie

Geografie, Volume 5, number 5 (october 1996) Uitgave: Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap Utrecht. Verschijnt zes keer per jaar.

Deze week houdt de International Geographical Union (IGU), de wereldwijde organisatie van fysisch- en sociaal-geografen, in Den Haag haar vierjaarlijkse congres. Ruim 1500 geografen uit 73 landen nemen deel. Aan het thema Land, Sea and Human Effort, dat volgens het internationale geografenwereldje als geen ander bij Nederland past, hebben veel wetenschappers zich overigens niet gehouden. Ook het populair-wetenschappelijke tijdschrift Geografie van mede-organisator KNAG (Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap) doet dat niet. Met een Engelstalig nummer sluit het zich aan bij de gewoonte om de congresdeelnemers te informeren over actuele geografische ontwikkelingen in het gastland.

De redactie heeft zich ongetwijfeld afgevraagd wat buitenlandse vakgenoten interessant zouden kunnen vinden aan Nederland; hoe je stereotiepen over Nederland als land van klompen, tulpen, dijken, polders, molens, drugs, seksuele vrijheid en bio-industrie kunt bijstellen; hoe kritisch of trots je je eigen land moet zijn, enzovoorts.

Hoewel er interessant geografisch onderzoek gedaan is naar coffeeshops en het Amsterdamse homoleven (en congresgangers afgelopen zondag in Amsterdam geconfronteerd werden met de homoparade door de grachten) heeft de redactie zich verre gehouden van dergelijke onderwerpen.

Het blad opent met een artikel over de ruimtelijke ontwikkeling van Den Haag, de stad waar de meeste congresgangers deze week vertoeven. Volgens auteur De Pater had het Haagse gemeentebestuur daarop tot eind jaren '80 geen weldoordachte visie. Die kwam pas toen de stad economisch en demografisch vergaand uitgehold was en men daaraan een eind probeerde te maken met enerzijds de stadsvernieuwing in de Schilderswijk en anderzijds de creatie van 'Het Nieuwe Centrum' rond het Centraal Station. Volgens De Pater leidt de boom in de kantoorbouw wel tot nieuwe banen, maar niet voor de vele, langdurig werklozen uit Den Haag zelf. Daarnaast wordt duidelijk dat de Nederlandse verzorgingsstaat, waar veel buitenlanders nog steeds met ontzag naar kijken, wel bij machte is de fysieke omgeving van achterstandswijken te verbeteren, maar niet in staat is de onderliggende processen die leiden tot werkloosheid en ruimtelijke segregatie (gettovorming) aan te pakken.

Dat de moderne planningsconcepten en idealen tot planologische rampen kunnen leiden, blijkt uit een artikel over de Bijlmermeer ('Trouble in highrise paradise'). Een gemis van dit artikel is dat het niet analyseert waarom er van die idealen niets terecht gekomen is. Het proefschrift van Maarten Mentzel (De Bijlmermeer als grensverleggend ideaal), waarin dat wel gebeurt, wordt niet eens genoemd, terwijl in het katern Spatial Planning in the Netherlands, dat de Rijksplanologische Dienst mocht vullen, een kritische zelfanalyse ontbreekt. Het artikel over de Bijlmermeer beschrijft vooral hoe men er het beste van probeert te maken door flats en parkeergarages te slopen, de wijk aantrekkelijker te maken met koophuizen en eengezinswoningen en werk te scheppen met sociale vernieuwingsprojecten. Volgens de auteurs zijn de problemen niet uitsluitend aan hoogbouw te wijten, want in hoogbouwwijken als Overvecht (Utrecht) en Ommoord (Rotterdam) zijn geen problemen.

In een ander artikel, waarin wordt ingegaan op de bouwopgave van 1,3 miljoen nieuwe woningen (800.000 voor 2005; 500.000 daarna), betoogt auteur De Natris dat hoogbouw helemaal niet nodig is om hoge woningdichtheden te realiseren. Er moet volgens hem wel compact gebouwd worden, maar dat hoeft niet tot stapelbouw te leiden, zoals de regering denkt. Ook kan er volgens hem best tegemoet gekomen worden aan de woonwensen van 94 procent van de Nederlanders die het liefste een eengezinswoning willen. Creatieve architecten kunnen volgens hem aantrekkelijke laagbouwwijken ontwerpen met dichtheden van 75 tot 95 woningen per hectare. Met overtuigende voorbeelden komt hij echter niet.

Voor buitenlandse geografen die inzicht willen krijgen in de structuur van de Randstad, die erg afwijkt van andere wereldsteden, heeft Jeroen Bosman een treinreis van Dordrecht naar Almere beschreven. Interessant zijn verder artikelen over Nederland als fietsland (en hoe daarmee rekening gehouden wordt in de ruimtelijke planning), de gevolgen van het einde van de Koude Oorlog voor gebieden als de Veluwe waar veel oefenterreinen gesloten worden, het ontstaan van vrije-tijdslandschappen, en het gebrek aan wederzijds begrip tussen Duitsland en Nederland inzake natuurontwikkeling in de Gelderse Poort. Over het fenomeen natuurontwikkeling verbazen veel buitenlanders zich. Ze kijken er raar van op dat Nederlanders van landbouwgronden die ze vroeger op het water veroverd hebben, nu weer moerassen gaan maken.

De artikelen tezamen geven ze een aardig beeld van ontwikkelingen in Nederland die niet alleen voor buitenlandse geografen, maar ook voor Nederlanders interessant zijn. De artikelen zijn redelijk diepgaand en zijn uitstekend geïllustreerd.